Gods Woord blijft open

Zondag 29 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Bij zijn aankomst bevond Jezus dat hij al vier dagen in het graf lag. Betanië nu was dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën. Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten over het verlies van hun broer.
Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was, ging zij Hem tegemoet; Maria echter bleef thuis. Marta zei tot Jezus: ‘Heer, als Gij hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik, dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.’
Jezus zei tot haar: ‘Uw broer zal verrijzen.’ Marta antwoordde: ‘Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.’ Jezus zei haar: ‘Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?’ Zij zei tot Hem: ‘Ja, Heer ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt.’
Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen en zei zachtjes: ‘De Meester is er en vraagt naar je.’ Zodra zij dit hoorde, stond zij vlug op en ging naar Hem toe.
Jezus was nog niet in het dorp aangekomen, maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had. Toen de Joden die met Maria in huis waren om haar te troosten, haar plotseling zagen opstaan en weggaan, volgden zij haar in de mening dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus zich bevond, viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei: ‘Heer, als Gij hier was geweest zou mijn broer niet gestorven zijn.’ Toen Jezus haar zag wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegeko­men, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Hij: ‘Waar hebt gij hem neergelegd?’ Zij zeiden Hem: ‘Kom en zie, Heer.’ Jezus begon te wenen, zodat de Joden zeiden: ‘Zie eens hoe Hij van hem hield.’

(De rest van het Evangelie en de andere lezingen vindt u hier)

Jezus zei tot haar: ‘Uw broer zal verrijzen.’ Marta antwoordde: ‘Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.’ Jezus zei haar: ‘Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?’ Jezus wist dat Hij Lazarus uit de dood kon doen opstaan. Hij wist dat Hij Lazarus binnenkort weer zou ontmoeten. En toch huilt Jezus als Hij bij het graf van Lazarus staat.

Johannes vertelt ons over die emoties van Jezus: Toen Jezus haar (Maria, de zus van Lazarus) zag wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Hij: ‘Waar hebt gij hem neergelegd?’ Zij zeiden Hem: ‘Kom en zie, Heer.’ Jezus begon te wenen ….

Jezus is begaan met de mensen. Het lot van de mensen laat Hem niet koud. Als mensen ziek zijn, of verdrietig of eenzaam, of wanneer mensen sterven, denkt Hij niet bij zichzelf: Ach, Ik kan ze toch weer doen verrijzen als ik dat wil. Waarom zou Ik verdrietig zijn?
Nee, Jezus leeft mee met onze pijn en ons verdriet, ook al zal Hij dat alles overwonnen hebben in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Wij mensen zijn kwetsbaar. Dat ervaren we zeker in deze bijzondere veertigdagentijd. Wij zelf zijn kwetsbaar en onze samenleving is kwetsbaar. Voor sommigen kan dat als een schok komen. Want velen leefden alsof brood op de plank en een goede gezondheid vanzelfsprekend zijn. Nu blijkt dat allemaal niet het geval. In een paar weken tijd wordt iedereen geconfronteerd met deze fundamentele onzekerheid.
Maar weet dat je er niet alleen voor staat. God leeft met je mee. Hij is erbij wanneer je worstelt met spanningen. Hij is erbij wanneer je eenzaam bent of de hoop lijkt te verliezen. Net als Jezus niet voorkwam dat Lazarus stierf, zal Hij ook ons niet altijd voor alle kwaad behoeden. Maar Hij laat ons er ook niet in achter, zoals Hij ook Lazarus niet in het graf liet. Want Hij heeft de macht ons het eeuwig leven te geven.

Johannes schreef niet alleen dit Evangelie, maar ook drie brieven en het boek Openbaring. In dat laatste boek toont God hem in een visioen de weg die God met de mensheid gaat. En wanneer die geschiedenis van God met de mensen voltooid wordt, ziet Johannes hoe God alles nieuw en volmaakt zal maken. Hij schrijft over die nieuwe wereld: Zie, de Woonstede Gods bij de mensen: Hij zal zijn Tent bij hen spannen. Zij zullen zijn volk zijn, Hij: God met hen! Elke traan wist Hij weg uit hun ogen; en nooit zal de dood er meer zijn, geen rouw, geen geween en geen smart; want het vroegere is voorbij!
Dat is de hoop die wij, christenen, mogen hebben. Een hoop die geworteld is in de wonderbare macht van God en in zijn liefde. Laten wij ons aan Hem toevertrouwen.


Zaterdag 28 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Bij het horen van Jezus’ woorden zeiden sommigen van het volk: ‘Dit is inderdaad de profeet.’ Anderen zeiden: ‘Het is de Messias.’ Weer anderen wierpen op: ‘Komt de Messias soms uit Galilea? Heeft de Schrift niet gezegd, dat de Messias komen zal uit het geslacht van David en uit Betlehem, het dorp waar David woonde?’ Zo ontstond er dus om Hem verdeeldheid onder het volk. Sommigen hunner wilden Hem gevangennemen, maar niemand sloeg de hand aan Hem. Toen dan ook de dienaars bij de hogepriesters en Farizeeën terugkwamen, vroegen dezen hun: ‘Waarom hebt gij Hem niet meegebracht?’ De dienaars antwoordden: ‘Nooit heeft iemand zo gesproken als die man.’ Waarop de Farizeeën zeiden: ‘Hebt gij u soms ook laten bedriegen? Heeft dan een van de overheden of van de Farizeeën in Hem geloofd? Dat volk, ja, dat de Wet niet kent; vervloekt zijn ze!’ Maar een uit hun kring, Nikodemus, die vroeger bij Jezus gekomen was, merkte op: ‘Veroordeelt onze Wet iemand zonder hem eerst te horen en te vernemen wat hij doet?’ Zij gaven hem ten antwoord: ‘Zijt gij soms ook uit Galilea? Zoek maar na en gij zult zien dat de profeet niet uit Galilea opstaat.’ Toen ging ieder naar huis.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

‘Veroordeelt onze Wet iemand zonder hem eerst te horen en te vernemen wat hij doet?’ Het lijkt een vraag waarop het antwoord alleen maar ontkennend kan zijn: Nee, natuurlijk niet, want het is Gods Wet en God is rechtvaardig.

Maar ook al is de Wet rechtvaardig, wetsdienaren zijn dat niet per definitie. Dat blijkt duidelijk uit de argumentatie van de hogepriesters en de Farizeeën.

De dienaren hebben Jezus niet meegenomen, omdat zij onder de indruk waren van zijn spreken. Maar daar wordt niet inhoudelijk op ingegaan. Er wordt op de man gespeeld (“Hebt gij u soms ook laten bedriegen”) en een gezagsargument wordt gebruikt (de autoriteiten, de hogepriesters en Farizeeën zelf dus, hebben niet in Hem geloofd). Dus hun dienaren zijn ofwel dom als het volk dat de Wet niet kent ofwel luisteren ze niet naar het gezag.

Op de vraag van Nikodemus wordt evenmin ingegaan, terwijl hij uit hun eigen kring komt als Farizeeër en overste van het volk. Hem wordt de mond gesnoerd door een verdachtmaking (hoor jij ook bij Jezus?) en door hem gebrek aan kennis te verwijten over de Wet.

De hogepriesters en de Farizeeën zijn vooringenomen. Het oordeel over Jezus is al geveld, daarom hoeven ze niet meer te luisteren. In hun arrogantie menen zij het betere oordeel te hebben.

Die houding is niet voorbehouden aan de Joodse overheden uit Jezus’ tijd. Wat is onze houding naar anderen en waardoor laten wij ons leiden?

Het is gemakkelijk om in ons samenleven elkaar met etiketten te beplakken. Dan weet je waar je aan toe bent als je iemand ontmoet. Maar doe je wel recht aan de persoon die voor je staat, als je mensen of groepen over één kam scheert?

Het is goed om bij onszelf na te gaan in welke mate wij bevooroordeeld zijn. Dat geldt in de maatschappij, maar ook thuis. Zeker waar velen nu tot elkaar ‘veroordeeld’ zijn tot op de vierkante centimeter, zonder de afleiding van werk of uitgaan. Sta je open voor de ander, of weet je bij voorbaat al wat de ander vindt? Laten we proberen welwillend en redelijk te zijn in de omgang en elkaar het goede gunnen.


Vrijdag 27 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd trok Jezus rond in Galilea, want Hij wilde dat niet in Judea doen, omdat de Joden er op uit waren Hem te doden. Het liep tegen een van de Joodse feesten, het Loofhutten­feest. Toen zijn broeders naar het feest waren gegaan, vertrok Hij ook, niet openlijk maar onopvallend.
Enkele Jeruzalemmers zeiden: ‘Is dit niet de man die ze zoeken te doden? En nu zie eens. Hij staat in het openbaar te spreken en men zegt Hem niets! Zou de overheid nu werkelijk erkend hebben, dat Hij de Messias is? Maar van deze man weten wij waar Hij vandaan is, wanneer echter de Messias komt, weet geen mens waar Hij vandaan komt.’
Terwijl Jezus in de tempel leerde, riep Hij met luider stem: ‘Gij kent mij en gij weet waar Ik vandaan ben; toch ben Ik niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij die waarachtig is, heeft Mij gezonden, Hem kent gij niet. Ik ken Hem, omdat Ik uit Hem ben en Hij Mij heeft gezonden.’
Ze wilden zich van Hem meester maken, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want zijn uur was nog niet gekomen.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

De mensen die Jezus kenden, dachten dat ze wisten waar Hij vandaan kwam. Ze kenden zijn familie en ze wisten waar Hij was opgegroeid. ‘Van deze man weten wij waar Hij vandaan is, wanneer echter de Messias komt, weet geen mens waar Hij vandaan komt,’ zeggen ze. En ze concluderen dat Jezus dus de Messias, de Christus, niet kan zijn.

Maar Jezus is van God. Hij komt uit God voort. Dat mysterie hebben we woensdag gevierd. God heeft Hem gezonden om de mensen te redden van hun zonden. Na al die jaren Jezus gekend te hebben, zien veel van zijn tijdgenoten dat nog niet in. En daarom zegt Jezus: ‘Gij kent mij en gij weet waar Ik vandaan ben; toch ben Ik niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij die waarachtig is, heeft Mij gezonden, Hem kent gij niet. Ik ken Hem, omdat Ik uit Hem ben en Hij Mij heeft gezonden.’

Jammer dat velen Jezus niet als de Messias herkend en erkend hebben. Hadden ze God goed gekend, zijn liefde en zijn diepe wens om zondaars te redden, dan hadden ze kunnen zien dat in Jezus God zelf in hun midden was. Want als er iets is wat Jezus de mensen liet zien, dan was het Gods liefde voor de zondaar. Niet voor de zonde, wel voor de zondaar. Jezus schreef de zondaars niet af, maar Hij bracht ze weer bij God. Hij riep ze op tot bekering, Hij vergaf ze hun zonden, en tenslotte gaf Hij zijn leven voor hen aan het kruis.

In deze tijd wordt onze aandacht vooral gevraagd voor de lichamelijke gezondheid. En aandacht voor de gezondheid van onszelf en onze medemensen is zeker van belang, en daar moeten we ook op letten en zorgvuldig mee omgaan. Wees voorzichtig!

Maar we moeten ons geestelijk welzijn, onze spirituele gezondheid niet uit het oog verliezen. Want hoe dan ook, wij leven niet eeuwig op deze aarde. Aan ons aardse leven komt een einde. Wij zijn echter geschapen voor het eeuwig leven. En om ons daarvoor te winnen, daarom is Jezus door God gezonden.

Laten wij dus proberen om te leven zoals Jezus dat van ons vraagt. Dat betekent niet dat we foutloos gaan leven. Maar het betekent dat we aan Jezus alle ruimte geven in ons bestaan. Dat we steeds weer tot Hem bidden, dat we Hem vragen om zijn kracht en genade bij alles wat we doen, en dat we zijn liefde voor de mensen proberen zichtbaar te maken.

En als we dan toch weer tekortschieten, als we zondigen, dan is Hij er om ons te vergeven. Daartoe was Hij immers door de Vader gezonden.


Donderdag 26 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd sprak Jezus tot de Joden: Als Ik over Mijzelf getuig, dan heeft mijn getuigenis geen waarde. Er is een ander die over mij getuigt, en Ik weet dat de getuigenis die Hij over Mij aflegt, geloofwaardig is. Gij hebt een gezantschap naar Johannes gestuurd en deze heeft getuigd voor de waarheid. Weliswaar behoef Ik de getuigenis van een mens niet, maar Ik zeg dit opdat gij gered zult worden. Hij was de lamp, ontstoken om te verlichten, en een korte tijd hebt gij u in zijn licht willen verheugen.
De getuigenis echter die Ik bezit, is waardevoller dan die van Johannes, want het zijn juist de werken die de Vader Mij gegeven heeft om te volbrengen en die Ik ook volbreng, die van Mij getuigen, dat Ik door de Vader gezonden ben. Ook de Vader zelf die Mij zond, heeft getuigenis over Mij afgelegd. Zijn stem hebt gij nimmer gehoord noch zijn gestalte gezien, en zijn woord hebt gij niet blijvend in u, omdat gij Degene die Hij zond niet gelooft.
Gij onderzoekt de Schriften in de mening daarin eeuwig leven te vinden, maar juist dezen getuigen over Mij. En toch wilt gij niet tot Mij komen om het leven te vinden. Ik zoek niet door de mensen geëerd te worden, maar Ik weet dat gij in uw hart geen liefde tot God hebt. Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader en toch aanvaardt Gij Mij niet. Komt een ander in zijn eigen naam, dan zult gij hem wel aanvaarden.
Maar hoe zoudt gij ook kunnen geloven als gij van elkaar eer tracht te verwerven, terwijl gij de eer die van de enige God komt, niet zoekt? Meent niet, dat Ik u bij de Vader zal aanklagen. Er is al iemand die u aanklaagt: Mozes, op wie gij uw hoop hebt gesteld. Want als ge Mozes zoudt geloven, zoudt ge ook Mij geloven, want juist over Mij heeft hij geschreven. Als ge niet gelooft wat hij schreef, hoe zoudt ge dan geloven wat Ik spreek?’

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Dit is het soort Evangelie dat typisch is voor Johannes en dus uitermate ingewikkeld. Maar ook uitermate inspirerend. Het is goed om onze tanden erin te zetten.

In zijn toespraak komt het woord ‘getuigenis’ steeds terug. Jezus geneest op een sabbat en noemt God zijn Vader. Daarom verlangen de Joden een getuigenis, een legitimatie: waar haalt Hij het recht vandaan om zo te handelen en te spreken? Maar wat Johannes de Doper over Hem zei, hebben ze niet willen aannemen. Evenmin wat Jezus doet overtuigt hen, ook niet Gods woord dat over Hem spreekt in de Schriften.

Zijn tegenstanders zullen er geen gehoor aan geven en de Heer weet dat. Maar waarom gaat Hij dan toch steeds het gesprek aan met mensen die niet willen luisteren en al klaar staan met hun oordeel? Een oordeel dat al verbonden is met het doodsvonnis.
Eén woord van de Heer verklaart dit: “Ik zeg dit opdat gij gered zult worden”.

Al zijn de harten van zijn tegenstanders nog zo verhard… opdat zij gered worden. Al raakt ons eigen hart nog zo verhard door langdurige twijfel, door teleurstelling, door de bodem ingeslagen hoop… opdat ook wij gered worden, geeft Hij ons zijn woord.

Laten we proberen te geloven wat Hij spreekt. Laten we Christus vertrouwen op zijn woord. Op Pasen heeft God zijn Vader het ultieme getuigenis afgelegd toen Hij zijn Zoon deed opstaan uit de dood. Misschien worden wij met Hem gekruisigd en moeten wij sterven, maar zijn redding is te delen in zijn verrijzenis.


Woensdag 25 maart : Hoogfeest van de Aankondiging van de Heer (Maria Boodschap)

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd werd de engel Gabriel van Godswege gezonden naar een stad in Galilea, Nazaret, tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette, uit het huis van David; de naam van de maagd was Maria. Hij trad bij haar binnen en sprak: ‘Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u!’ Zij schrok van dat woord en vroeg zich af, wat die groet toch wel kon betekenen. Maar de engel zei tot haar: ‘Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.
Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet geven. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.’ Maria echter sprak tot de engel: ‘Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?’ Hierop gaf de engel haar ten antwoord: ‘De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoog­ste zal u overschadu­wen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God. Weet, dat zelfs Elisabet, uw bloedver­wante, in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen en, ofschoon zij onvruchtbaar heette, is zij nu in haar zesde maand; want voor God is niets onmogelijk.’ Nu zei Maria: ‘Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.’ En de engel ging van haar heen.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

De engel Gabriël trad bij Maria binnen en sprak: ‘Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u!’
Zij schrok van dat woord en vroeg zich af, wat die groet toch wel kon betekenen.

Niet zo vreemd dat Maria schrok. Een engel krijg je niet iedere dag op bezoek. En dan komt die engel ook nog eens vertellen dat Maria de moeder van de Zoon van God zal worden. Ga er maar aanstaan. Haar hele leven stond op zijn kop.
Maar Maria wil meewerken met God. Ze zegt ja tegen de engel. Nu zei Maria: ‘Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.’ Ze vertrouwt zich aan God toe. Zolang Hij erbij is, zal het goed komen.

Maria weet nog niets van de vlucht naar Egypte. Ze weet nog niets van de ongerustheid die zij en Jozef zullen hebben, wanneer ze Jezus kwijt zijn na hun pelgrimstocht naar Jeruzalem. Ze heeft nog niet meegemaakt hoe de mensen Jezus niet zullen begrijpen, en hoe Hij meer en meer verdacht gemaakt wordt. En Maria heeft dat afschuwelijke moment nog niet meegemaakt waarop ze als moeder moet toezien hoe haar Zoon wordt mishandeld en sterft aan een kruis.
Maar ze zegt ja. Want ze gaat de weg met God. En Hij begeleidt haar door dat alles heen naar dat moment waarop haar Zoon uit de dood verrijst en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader.

‘Mij geschiede naar uw woord.’ Die woorden, die houding, houdt Maria vandaag ook ons voor. Vertrouw maar op God, ook al weet je niet wat de toekomst brengt. Ook al zul je door pijn en moeite en verdriet gaan. Vertrouw je toe aan God. En Hij zal je brengen tot de verrijzenis en het eeuwig leven.

Op dit hoogfeest van de heilige maagd Maria is het natuurlijk goed en mooi om de rozenkrans te bidden. Overweeg dan de glorievolle geheimen. Het vierde geheim luidt: Maria wordt ten hemel opgenomen; en het vijfde: Maria wordt tot koningin gekroond. Dat geeft hoop. Want Maria is haar levensweg gegaan met de Heer, en zie waar het haar gebracht heeft!

Laten ook wij ons toevertrouwen aan God. Dat is geen garantie voor een gemakkelijk leven zonder verdriet, ziekte en pijn. Dat was het voor Maria ook niet. Maar de verrijzenis van Christus geeft ons de zekerheid dat het uiteindelijk goed afloopt voor wie zich aan Hem vasthoudt. Want we eindigen dan in de liefdevolle armen van de Vader.


Dinsdag 24 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.

Omdat er een feest van de Joden was, ging Jezus, op naar Jeruzalem. Nu is er in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badinrichting, in het Hebreeuws Betesda geheten, met vijf zuilengangen. In die gangen lag altijd een groot aantal gebrekkigen: blinden, lammen en mensen met verschrompelde ledematen (te wachten op het in beweging komen van het water. Van tijd tot tijd daalde namelijk een engel in het bad neer en bracht het water in beroering. Wie dan het eerst na de beweging van het water er inging, werd genezen, wat voor kwaal hij ook had). Nu was daar een man die al achtendertig jaar lang gebrekkig was. Jezus zag hem liggen en omdat Hij wist dat hij reeds lang zo lag, zei Hij tot hem: ‘Wil je gezond worden?’ De zieke gaf Hem ten antwoord: ‘Heer, ik heb niemand om mij, wanneer het water bewogen wordt, in het bad te brengen en terwijl ik ga, daalt een ander voor mij er in af.’ Daarop zei Jezus hem: ‘Sta op, neem je bed op en loop.’ Op slag werd de man gezond. Hij nam zijn bed op en liep. Die dag was het echter sabbat en daarom zeiden de Joden tot de genezene: ‘Het is sabbat, je mag je bed niet dragen.’ Hierop antwoordde hij hun: ‘Die mij gezond heeft gemaakt, Die heeft gezegd: Neem je bed op en loop! Daarom vroegen zij hem: ‘Wie is die man die je zei: Neem je bed op en loop?’ De genezene wist niet wie het was, want Jezus had zich ongemerkt teruggetrokken, omdat er veel volk ter plaatse was. Later trof Jezus hem in de tempel en sprak tot hem: ‘Zie, je bent nu genezen! Zondig niet meer, opdat je niets ergers overkomt.’ De man ging heen en vertelde aan de Joden, dat het Jezus was die hem genezen had. Omdat Jezus dergelijke dingen op sabbat deed, begonnen de Joden Hem te vervolgen.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Het is een wonderlijk Evangelie. De gebrekkige man ligt in een badinrichting waar zieken genezing hopen te vinden. Terwijl hij weet dat het uitzichtloos is. Want hij komt altijd te laat, omdat hij geen hulp heeft en anderen hem voor zijn. Misschien ligt hij daar, omdat er lotgenoten zijn, of omdat op die plaats aalmoezen worden gegeven. We weten het niet. Maar het is duidelijk dat wat hij ook zoekt, hij niet op een wonder rekent.

Het is een wonderlijk Evangelie. De Heer lijkt naar de bekende weg te vragen: “Wil je gezond worden?” Terwijl Hij wist dat de zieke daar al zo lang lag te wachten. Jezus vraagt de zieke waar hij niet op durft hopen. Zijn antwoord is ontwijkend of misschien zelfs een impliciete hulpvraag (‘ik heb niemand die mij helpt… U misschien?’). Maar Jezus’ vraag brengt de zieke terug bij het kernprobleem van zijn bestaan: ik ben ziek en wil gezond worden. Daarom geneest de Heer de man en laat hem opstaan.

Zijn geloofsgenoten wijzen de genezen man op de overtreding van de Wet: hij mag op Sabbat zijn bed niet dragen… Net zo min als Jezus op Sabbat had mogen genezen. Maar de mens is er niet voor de Sabbat, maar de Sabbat is er voor de mens. Jezus is gekomen om de band tussen God en mens te herstellen. Ziekte maakt die band niet stuk, de zonde wel. Dat zijn ergere dingen die de genezene kunnen overkomen. Want los van God sterft de ziel. “Zondig niet meer… ” Voor de Heer is er niets ergers dan van God afgescheiden te zijn. Dat is een veel groter kernprobleem van ons bestaan dan ziekte.

Het is een wonderlijk Evangelie om te lezen in deze tijd nu zoveel mensen moeten vechten voor hun gezondheid. Natuurlijk is het goed om gezond te willen blijven of te worden. Maar wat als ons verlangen naar gezondheid betekent dat wij (om bij het Evangelie te blijven) voordringen en anderen wegduwen om bij het bad te komen zo gauw als de engel het water beweegt? Wat als om gezond te blijven wij desinfecterende zeep wegnemen uit een instelling? Wat als wij als een razende gaan hamsteren, zonder ons te bekommeren om anderen? Stel dat wij zó leven en de crisis overleven, wat voor mensen blijken wij dan te zijn als straks de crisis voorbij is?

“Zondig niet meer opdat je niets ergers overkomt…” Laten wij proberen om verbonden te leven met onze naasten en met onze God. Dat Christus ons zegent en bijstaat om meer en meer mensen van God worden.


Maandag 23 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.

In die tijd verliet Jezus Samaria en ging naar Galilea. Hijzelf had verklaard, dat een profeet in zijn eigen vaderstad niet in aanzien is. Toen Hij nu in Galilea kwam, ontvingen de Galileeers Hem welwillend, omdat zij alles hadden gezien, wat Hij te Jeruzalem op het feest had gedaan. Zij waren immers zelf ook op het feest geweest. Zo kwam Hij dan wederom te Kana in Galilea, waar Hij van het water wijn had gemaakt. Daar bevond zich een koninklijke beambte, wiens zoon te Kafarnaum ziek lag. Toen hij hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en verzocht Hem, dat Hij mee zou komen om zijn zoon te genezen, want deze lag op sterven. ‘Als gij geen wondertekenen ziet,’ zei Jezus tot hem, ‘dan gelooft gij niet.’ Daarop zei die hofbe­ambte: ‘Heer, kom toch eer mijn kind sterft!’ Jezus antwoordde: ‘Ga maar, uw zoon leeft.’ De man geloofde wat Jezus hem zei en ging heen.
Zijn dienaars kwamen hem onderweg reeds tegemoet met de boodschap dat zijn kind leefde. Hij vroeg hun naar het uur waarop de beter­schap was ingetreden, en zij zeiden hem: ‘Gisteren op het zevende uur is de koorts van hem geweken.’ Toen besefte de vader, dat het gebeurd was juist op het uur waarop Jezus gezegd had: ‘Uw zoon leeft.’ Hij zelf en heel zijn gezin geloofden. Dit tweede teken deed Jezus nadat Hij uit Judea naar Galilea gekomen was.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Een mooie toezegging die God doet bij monde van de profeet Jesaja. Hij spreekt over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde die Hij zal scheppen en zegt: ‘Daar zal geen kind meer zijn, dat na weinige dagen sterft, en er zal geen grijsaard meer zijn, die zijn dagen niet vol zal maken.’ Als je sterft op je honderdste zal dat relatief jong zijn, daar, in die nieuwe schepping.

We horen momenteel veel over leeftijd en sterven. In deze tijd van het coronavirus denken mensen bij zichzelf: gelukkig, ik hoor niet bij de risicogroep. Of ze denken juist: laat ik maar heel voorzichtig zijn op mijn leeftijd, want ik hoor bij de kwetsbare ouderen.

In het Evangelie horen we over een ziek kind dat door Jezus genezen wordt. Het is de jongen en zijn ouders van harte gegund. Maar misschien denken we ook bij onszelf: en wij dan? Hebben wij niet allemaal behoefte aan gezondheid? Waar is Jezus eigenlijk met zijn genezende kracht in deze moeilijke tijd?

Ja, wat zou het mooi zijn, als Jezus ons allemaal van COVID-19 geneest. Of als Hij ons er tegen beschermt, zodat we niet eens ziek worden. Maar dat doet Jezus niet. En eigenlijk weten we dat ook wel. Het leven dat Jezus brengt, is het leven met God. Hij opent voor ons de deur naar de barmhartige Vader, die ons nooit laat vallen, die ons bemint, en die ons tot over de grens van de dood vasthoudt.

Jezus verbindt ons met God. Want Hij is God zelf. Hij is de hand die God uitstrekt naar alle mensen. Als wij die uitgestoken hand van God vastpakken, als wij ons aan Jezus vasthouden, in Hem geloven, dan voert Hij ons door het aardse leven naar het eeuwig leven. Hij leidt ons niet om alle problemen heen. Maar Hij leidt ons er doorheen, via de weg van zijn liefde.

Dat jongetje dat Jezus genezen heeft, is waarschijnlijk volwassen geworden en is zeker eens gestorven. Misschien is hij wel weer ziek geworden. Maar hij en zijn ouders hebben mogen ervaren dat Jezus niet door ziekte gestopt kan worden. Gods liefde wordt niet begrensd door ziekte, zonde of dood. Gods liefde overwint dat alles. We hebben dat mogen zien in de verrijzenis van Christus. En in dat geloof, in die zekerheid, mogen wij ons aan de Heer toevertrouwen.


Zondag 22 maart

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze.

Eens waart gij duisternis, nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer. Leeft dan ook als kinderen van het licht, en de vrucht van het licht kan alleen maar zijn: goedheid, gerechtigheid, waarheid. Tracht te ontdekken wat de Heer behaagt. Neemt geen deel aan hun duistere en onvruchtbare praktijken, brengt ze liever aan het licht. Wat deze lieden in het geheim doen is te schandelijk om ook maar over te spreken. Alles echter wat aan het licht wordt gebracht, komt in het licht tot helderheid. En alles wat verhelderd wordt, is zelf ‘licht’ geworden. Zo zegt ook de hymne: «Ontwaak, slaper, sta op uit de dood, en Christus’ licht zal over u stralen.’«

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Paulus spreekt tot de Efesiërs als mensen die van het duister in het licht zijn gekomen, vanuit het heidendom tot de gemeenschap met de Heer, in zijn Kerk. Bij het duister hoort gedrag dat te schandelijk is om over te praten, dat uiteindelijk op niets uitloopt en onvruchtbaar is. De heimelijkheid ervan heeft met de leugen van doen. Hoe anders is het bij het licht dat goedheid, gerechtigheid en waarheid voortbrengt. Door het doopsel in Christus zijn de Efesiërs kinderen van het licht geworden, net zoals wij. Ons leven moet dus de Heer welgevallig zijn, doordat het de vruchten van het licht voortbrengt.

In deze tijd kunnen we met de uitersten van beide leefstijlen geconfronteerd worden. Enerzijds zijn er mensen die opeens gaan vechten om een laatste blikje conserven of die uit de crisis een slaatje proberen te slaan. Anderzijds zijn er mensen die met gevaar voor eigen leven (en dat van hun geliefden) zorg blijven geven aan besmette zieken, of die bereid zijn anderen te helpen met boodschappen doen of contact te zoeken met geïsoleerde ouderen, blijkens initiatieven zoals #Nietalleen en vele andere.

Waar zullen wij bij horen wanneer onze daden aan het licht worden gebracht, als Christus ons in zijn licht plaatst? God geve dat dan uit de vruchten die wij hebben voortgebracht, mag blijken dat wij kinderen van het licht zijn. Maar hoogstwaarschijnlijk zullen de meesten van ons ergens tussen beide extremen in schommelen, een mengeling zijn van licht en donker.

Wat is het een zegen dat Christus zijn leven heeft gegeven voor zondaars om hen te redden. Voor zondaars, dus ook voor ons. Dat betekent niet dat wij met onze armen rustig over elkaar moeten afwachten. Integendeel, de Heer schenkt ons zijn genade. Genade die ons in staat stelt om nieuwe mensen te kunnen worden, om te leven als die kinderen van het licht waarover Paulus spreekt. Christus schenkt ons die genade met Pasen.
Ook al moeten we Pasen dit jaar op een andere en trieste wijze vieren dan ooit tevoren, het duister van de dood heeft niet het laatste woord. Dat heeft God. Laten we proberen daaruit hoop te putten! Moge ons leven ook, of misschien: juist in deze tijd de vruchten van het Licht van Pasen voortbrengen: goedheid, gerechtigheid en waarheid.

Moge Christus, de lijdende Dienstknecht des Heren die de dood heeft overwonnen, ons allen bewaren!


Zaterdag 21 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.

In die tijd vertelde Jezus, met het oog op sommigen, die overtuigd van eigen gerechtigheid, de anderen minachtten, de volgende gelijkenis.
‘Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de een was een Farizeeër en de andere een tollenaar. De Farizeeër stond met opgeheven hoofd en bad bij zichzelf als volgt: God, ik dank u dat ik niet zo ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar daar. Ik vast tweemaal per week en geef tienden van al mijn inkomsten. Maar de tollenaar bleef op een afstand en wilde zelfs niet zijn ogen opheffen naar de hemel; maar hij klopte zich op de borst, en zei: God wees mij, zondaar, genadig. Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere, want alwie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden.’

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Bij de supermarkt waar ik boodschappen doe, staat nu een installatie voor de deur om je handen te wassen. Je laat wat zeep in je handen lopen, je wast je handen goed met de zeep, en dan beweeg je een hand voor een elektronisch oog waardoor de kraan gaat lopen en je je handen verder kunt wassen en afspoelen. Met een stuk papier dat je lostrekt droog je je handen af en met schone handen ga je de winkel in. Prachtig initiatief van de winkelier.

Je handen wassen en hygiëne zijn enorm belangrijk deze dagen. In de psalm van vandaag lezen we: ‘Was mijn schuld volkomen van mij af, reinig mij van al mijn zonden.’ Ook hier wassen en reinigen. Maar hier gaat het om onze vraag aan God dat Hij ons reinigt van onze schuld. De psalmist beseft dat hij tegenover God geen aanspraak kan maken op zuiverheid van hart. Hij schiet tekort in heiligheid.

Ook de tollenaar in de gelijkenis van Jezus is zich bewust van zijn gebrek aan heiligheid. De Farizeeër niet. Die vindt zichzelf een heilige. Die meent dat hij alles goed doet in Gods ogen. Maar de tollenaar beseft dat hij in Gods ogen een zondaar is en dat hij Gods vergeving nodig heeft. Hij leeft niet zoals God dat van hem vraagt, en daar heeft hij spijt van.

Je handen wassen en een goede lichamelijke hygiëne zijn van groot belang. Let daar goed op. Maar let ook op de reinheid van je ziel. Eigenlijk zouden we daar niet minder zorg voor moeten hebben, niet alleen in deze veertigdagentijd, maar heel ons leven door.
Beminnen wij God boven alles? Hebben wij onze naasten lief, onze naasten die zijn zoals wij zelf? Proberen wij Jezus te dienen in de minste van zijn broeders en zusters?

Als we eerlijk in ons hart kijken, als we onder ogen durven zien hoe we echt zijn en leven, dan zullen we waarschijnlijk zien dat ook wij niet die grote heiligheid hebben waartoe God ons roept. Net als de tollenaar. En dan zullen ook wij beseffen dat we Gods vergeving nodig hebben.
Als je dat eerlijk onder ogen ziet, zeg dan oprecht tot de Heer: ‘God wees mij, zondaar, genadig.’ En Jezus zegt dan ook over jou: ‘Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere, want alwie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden.’


Vrijdag 20 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.

In die tijd trad een schriftgeleerde op Jezus toe en legde Hem de volgende vraag voor : ‘Wat is het allereerste gebod?’ Jezus antwoordde: ‘Het eerste is: Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer. Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee.’ Toen zei de schriftgeleerde tot Hem: ‘Juist, Meester, terecht hebt Ge gezegd: Hij is de enige en er bestaat geen andere buiten Hem; en Hem beminnen met heel zijn hart, heel zijn verstand en heel zijn kracht en de naaste beminnen als zichzelf gaat boven alle brand- en slachtoffers.’ Omdat Jezus zag dat hij wijs gesproken had, zei Hij hem: ‘Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods.’ En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Hier wordt gesproken over de geboden van de Wet. De Heer vat heel die Wet samen in het dubbelgebod van de liefde. Maar het gebod door Mozes gegeven begint met de woorden “Hoor, Israël”. Voordat de Wet gegeven wordt, klinkt de oproep om te luisteren. De geboden worden niet door de strot geduwd, het volk wordt uitgenodigd om de oren en het hart te openen. Zo geeft God zijn Woord, Hij treedt als het ware in gesprek met zijn volk.

Deze uitnodiging geldt ook voor ons. God richt zich niet in de verleden tijd tot zijn volk, zoveel duizend jaar her, wij geloven dat Hij zich in de tegenwoordige tijd tot ons richt, dus altijd actueel. Daarom eindigt iedere schriftlezing in de Kerk altijd met “Zo spreekt de Heer” of “Woord van de Heer”.

En het Woord dat Hij tot ons spreekt, herkennen wij in Jezus Christus, het levende Woord. God komt ons ook nu tegemoet met zijn Woord dat spreekt van liefde, zorg en betrokkenheid. Een God die – zoals we met Pasen gedenken – met ons mee lijdt en mee de grafkuil ingaat. Met de belofte dat Hij ons deel zal geven aan het Koninkrijk Gods.

Het lied van A. den Besten (GvL 509) benoemt dit met een biddende reactie: “Gij, woord dat antwoord vraagt, o Heer, geef dat wij U herkennen mogen”. Mogen wij een goed antwoord weten te geven in deze tijd.

O Christus, woord der eeuwigheid,
dat naar ons uitging in de tijd
en daad werd, mens van hoofd tot voeten,
wij danken U, God die Gij zijt,
dat Gij ons mens’lijk wilt ontmoeten.

Hoe hadden wij U ooit verstaan,
waart Gij niet tot ons uitgegaan,
o levenswoord van den beginne?
Spreek, woord van vlees en bloed, ons aan,
o Christus, treed ons leven binnen.

Gij werd een mens, maar zonder eer,
die in de wereld geen verweer,
niets heerlijks had voor mensenogen.
Gij, woord dat antwoord vraagt, o Heer,
geef dat wij U herkennen mogen.


Donderdag 19 maart – hoogfeest van de heilige Jozef, Bruidegom van de maagd Maria

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Jakob was de vader van Jozef, de man van Maria, en uit haar werd geboren Jezus die Christus genoemd wordt.
De geboorte van Jezus Christus vond plaats op deze wijze. Toen zijn moeder Maria ver­loofd was met Jozef, bleek zij, voor­dat ze gingen samenwo­nen, zwanger van de heilige Geest. Omdat Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij er over in stilte van haar te scheiden.
Ter­wijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer die tot hem sprak: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de heilige Geest. Zij zal een zoon ter wereld brengen die gij Jezus moet noemen, want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden.’
Ontwaakt uit de slaap deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

‘Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen….’ Ontwaakt uit de slaap deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had.

Jozef deed zoals de Heer hem bevolen had. Hij gehoorzaamde aan de oproep van God. God vroeg hem zorg te dragen voor Maria, en zorg te dragen voor het Kind dat Maria zou baren. En Jozef nam die zorg op zich, omdat God het hem vroeg.

Zo maakte Jozef Gods zorg voor Maria en Jezus tastbaar. God zoekt mensen die zijn liefde concreet voelbaar maken.

Ik heb horen zeggen dat misschien God het virus gezonden heeft om mensen tot bezinning te brengen. Maar God stuurt geen ziektes. Wij, christenen, geloven dat God zich ten volle heeft laten kennen in Jezus Christus. En Jezus zou nooit mensen ziek maken. Iedereen die het Evangelie leest, zal dit kunnen bevestigen. Dus God maakt mensen niet ziek.

Maar tijdens een epidemie zoals nu door het coronavirus laat God wel van zich horen. In de mensen die zorg nodig hebben, doet God namelijk een oproep aan ons allemaal: ‘Zorg voor hen.’ Dat is het wat God ons nu zegt. ‘Zorg voor hen en maak mijn liefde voelbaar en concreet. Zoals Jozef dat gedaan heeft voor Maria en het Kindje Jezus.’

De heilige Jozef wordt wel afgebeeld met een kerk in zijn handen. Dat geeft aan dat zijn aandacht en liefde alle kinderen van God betreft. Laten wij Jozef volgen en Gods liefde tastbaar maken voor onze naasten. En moge Jozef voor ons een voorspraak zijn.

Heilige Jozef,
tot vader gegeven aan de Zoon van God,
bid voor ons in onze zorgen
voor de familie, de gezondheid en het werk
tot op onze laatste dagen,
en gewaardig u ons bij te staan
in het uur van de dood. Amen.


Woensdag 18 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen : Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling te brengen. Want voorwaar, ik zeg u: Eerder nog zullen hemel en aarde vergaan, dan dat een jota of haaltje vergaat uit de Wet, voordat alles geschied is. Wie dus een van die voorschriften, zelfs het geringste, opheft en zo de mensen leert, zal de geringste geacht worden in het Rijk der hemelen, maar wie ze onderhoudt en leert zal groot geacht worden in het Rijk der hemelen.

Op dit moment worden aan ons wetten en geboden voorgeschreven. Dat roept soms weerstand op. We kunnen niet langer zelf uitmaken wat we doen en laten. Terwijl onze vrijheid toch het hoogste goed is en die wordt juist ingeperkt.

Zo een inperking lijkt de Joodse Wet te zijn met haar 613 wetten en geboden. In het Evangelie zegt de Heer dat Hij deze niet afschaft, Hij is gekomen om de vervulling te brengen. Toch onderhouden wij, christenen, het meeste van de Joodse Wet niet. Is dat niet in tegenspraak met Jezus’ woorden?

Het antwoord daarop ligt precies in de vervulling waar de Heer van spreekt. Hij onderhoudt de Wet, maar brengt haar tegelijkertijd op een dieper en hoger niveau.

De Wet is goed, zeker de vele reinheidsvoorschriften (die veel doen denken aan de huidige aanbevelingen) zoals het regelmatig de handen wassen. Maar als die voorschriften strikt op zich worden nagevolgd, dan kan er iets misgaan.

Stel je voor dat we onze onderlinge afstand met een liniaal zouden afmeten: 1 à 2 meter, dan volgen we braaf het voorschrift op. Maar de onderliggende vraag is natuurlijk: waarom doen we dat? Oftewel: wat is de zin van wetten en geboden van de Staat, maar evenzeer die van ons geloof of de Wet van God?

De Wet moet allereerst te maken hebben met relatie. Wij zijn geroepen om te leven met elkaar en met God. Indachtig het gebod dat Jezus het allerbelangrijkst noemt: God te beminnen en de naaste die is als uzelf.

Als we daaruit leven, dan spreekt uit het navolgen van wetten en geboden geen slaafsheid of dwang, maar zorg en liefde. Dan maakt de inperking van mijn vrijheid juist ruimte voor mijn naaste.

Daar invulling aan te geven zal voor ons een uitdaging zijn.


Dinsdag 17 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs.

In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak: ‘Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?’
Jezus antwoordde hem: ‘Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal.
Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning die rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren. Toen hij hiermee begon, bracht men iemand bij hem die tiendui­zend talenten schuldig was. Daar hij niets had om te betalen gaf de heer het bevel hem te verkopen met vrouw en kinderen en al wat hij bezat om zo de schuld te vereffenen. De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De heer kreeg medelij­den met die dienaar, liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt.
Maar toen die dienaar buiten kwam, trof hij daar een andere dienaar die hem honderd denariën schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent. De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij en ik zal u betalen. Maar hij weigerde en liet hem zelfs in de gevangenis zetten, totdat hij zijn schuld zou hebben betaald.
Toen nu de overige dienaren zagen wat er gebeurd was, waren zij diep verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen. Daarop liet de heer hem roepen en sprak: Jij lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtge­scholden, omdat je mij erom gesmeekt hebt. Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad? En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben.
Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen, die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.’

Jezus wijst in de gelijkenis van vandaag op een belangrijke regel: behandel je medemens zoals je zelf behandeld wilt worden. De dienaar die zijn koning tienduizend talenten schuldig was (een ongelofelijk hoog bedrag), smeekte om kwijtschelding. En hij kreeg het. Hij wist dus hoe waardevol het is vergeven te worden. Maar toen hij een andere dienaar tegenkwam die op zijn beurt hem honderd denariën (een laag bedrag) schuldig was, schold hij hem het bedrag niet kwijt. Terwijl hij zelf ervaren had hoe belangrijk vergeving was.

Als wij met mensen omgaan, moeten we empathisch zijn, invoelend. We moeten proberen ons in de ander in te leven. Mensen zijn vaak heel verschillend. Maar in heel veel opzichten lijken we ook op elkaar. Hoe de buurman of buurvrouw, die alleen woont, het ervaart om elke dag op zichzelf door te brengen, weten we niet precies. Maar een beetje kunnen we het wel vermoeden. Denk het je maar eens in: steeds alleen op te staan, je dagelijkse routines te verrichten, alleen te eten, niet met iemand te kunnen delen wat je ziet op televisie of wat je leest op het internet.
Natuurlijk, de een heeft meer behoefte aan gezelschap dan de ander. Maar iedereen waardeert wat aandacht of een kleine attentie.

Leef je in in de ander. Heb oog voor elkaar. In deze tijd waarin de samenleving steeds verder tot stilstand komt, krijgen velen van ons meer tijd. Het zou goed zijn als we die tijd ook gebruiken voor de naaste.

Wat Jezus zegt over vergeving (vergeef zoals je zelf vergeven wilt worden) geldt ook voor andere aspecten van de menselijke omgang. Doorbreek eens de eenzaamheid van je medemens, zoals je dat zelf ook graag zou willen. Informeer naar elkaars gezondheid. Sta klaar om eens een boodschapje te doen, niet alleen voor eenzame mensen, maar ook voor dat oudere stel dat beter niet buiten de deur komt en waarvan de kinderen ver weg wonen. Of voor die verpleger die het nu extra druk heeft. Dat zou je immers zelf toch ook heel fijn vinden?