wekelijkse overweging

Woensdag in de zevende week van Pasen – 27 mei

Uit de Handelingen der apostelen

In die dagen zei Paulus tot de oversten van de Kerk van Efese: Geeft acht op uzelf en op heel de kudde, waarover de heilige Geest u tot leiders heeft aangesteld om Gods Kerk te hoeden, die Hij zich verwierf door het bloed van zijn eigen Zoon.
Ik weet dat er na mijn vertrek grimmige wolven bij u zullen binnendringen, die de kudde niet zullen sparen, en dat ook uit uw eigen midden mannen zullen opstaan, die verkeerde dingen zullen verkondigen om de leerlingen mee te krijgen. Weest daarom waakzaam en vergeet niet, dat ik onophoudelijk drie jaar lang dag en nacht ieder van u onder tranen het goede heb voorgehouden. En thans vertrouw ik u toe aan God en aan het woord van zijn genade, dat de macht bezit op te bouwen en u het erfdeel te verlenen met alle geheiligden. Zilver, goud of kleding heb ik van niemand verlangd. Gij weet zelf, dat deze handen voorzien hebben in mijn eigen behoeften en in die van mijn gezellen. In alles heb ik u getoond, dat men door zo te arbeiden de zwakken te hulp moet komen en dat gij de woorden van de Heer Jezus indachtig moet zijn. Hij heeft immers gezegd: Het is zaliger te geven dan te ontvangen.’
Na deze woorden knielden hij met allen neer en bad. Allen begonnen luid te wenen, vielen Paulus om de hals en kusten hem, vooral bedroefd omdat hij gezegd had, dat ze hem niet meer zouden terugzien. Daarna deden ze hem uitgeleide naar het schip.

Lezingen van de dag

Op Pinksteren vieren we het feest van de Kerk die immers bezield wordt door de Heilige Geest die over haar is uitgestort. Als Kerk leven wij vanuit de genadegaven van de Geest. Maar daarmee leven we hier en nu nog niet in een soort van paradijs.

Daarom horen we sint Paulus de christenen oproepen om waakzaam te zijn. Niet alleen is de wereld verre van volmaakt: grimmige wolven dringen binnen om de kudde, de kerk van Christus, af te maken. Maar het is zelfs erger: er zullen ook mensen vanuit de kerk zelf zijn die verderf zaaien door leerlingen te misleiden en van het rechte pad van Christus af te brengen. Als dat zo is, dan is inderdaad waakzaamheid geboden.

Dit is van alle tijden, dus ook van de onze. Er worden ook vandaag de dag keuzes gemaakt die niet persé de onze zijn. Soms zijn die misschien gebaseerd op verkeerd inzicht of soms zelfs op misleiding. Niet dat we met de vinger hoeven te wijzen, maar we moeten wel waakzaam zijn én iets anders doen.
In ons geloof staat Christus centraal. Hij laat zien wie God zijn Vader voor ons wil zijn, wat voor ons nodig is om te groeien als kind van God, en hoe onze gemeenschap moet zijn. Hij is de toets voor alle spreken in de Kerk en de toets voor onszelf. Of wij ons laten leiden door Hem.

Als de dingen om ons heen onbegrijpelijk of zelfs absurd lijken, dan moeten we één ding bedenken. Kerk zijn we niet op eigen kracht. Dat kunnen wij niet; persoonlijk niet, maar ook niet meer meerdere gelijkgestemden. De Heer laat ons hierin echter niet alleen. Op Pinksteren vieren we dat Hij zijn geestkracht geeft. Onze gemeenschap, de Kerk en wijzelf als haar ledematen, wordt bezield door de Heilige Geest. Ons spreken, ons handelen, ons vieren en ons bidden worden zinvol en krachtig door die Geest.

Al begrijp ik er niks van, Hij geeft zijn Geest. En om die Geest moeten we blijven bidden. Juist in deze tijd waarin wij wegen moeten zoeken om vorm te geven aan ons kerk-zijn. Bidden we zo voor onszelf en onze leiders.

Kom, Heilige Geest, vervul de harten van uw gelovigen, en ontsteek in hen het vuur van uw liefde.
Zend uw Geest uit, en alles zal worden herschapen. En Gij zult het aanschijn der aarde vernieuwen.
Laat ons bidden.
God, Gij hebt de harten van uw gelovigen door de verlichting van de Heilige Geest onderwezen.
Geef dat wij door dezelfde Heilige Geest de ware wijsheid mogen bezitten, en ons altijd over zijn vertroosting mogen verblijden.
Door Christus, onze Heer. Amen.


Woensdag in de zesde week van Pasen – 20 mei

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen; Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar spreken al wat Hij hoort en u de komende dingen aankondigen.
Hij zal Mij verheerlijken, omdat Hij aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft. Ik zei dat Hij aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft, omdat al wat de Vader heeft het mijne is.

Lezingen van de dag

Jezus kondigt de Geest aan. De Heilige Geest, God zelf, zal zijn volgelingen bijstaan en ‘tot de volle waarheid brengen’. Jezus laat zijn volgelingen niet in het duister tasten. Hij brengt ze tot het licht, Hij brengt ze naar zichzelf. Hij zelf is het licht van de wereld, Hij is de weg, de waarheid en het leven.
En dat heeft Jezus waargemaakt. De Heilige Geest is over Maria en de apostelen uitgestort en is bij zijn Kerk gebleven tot op de dag van vandaag. De Heilige Geest heeft ons het Nieuwe Testament geschonken. De Heilige Geest heeft voor ons de katholieke leer ontvouwd. De Heilige Geest heeft ons duizenden heiligen gegeven als voorbeelden van gelovig christelijk leven. De Heilige Geest heeft ons de liturgie geschonken die zich doorheen de eeuwen ontwikkeld heeft.

Ook nu leidt de Heilige Geest de Kerk. Dat is wel eens moeilijk te geloven wanneer we zien dat mensen in de Kerk proberen de wereld te behagen en over Christus zwijgen. Tot aan de hoogste leiders toe lijken christenen zich in bochten te wringen om vooral niet wereldvreemd te lijken en om acceptabel te zijn voor de heidense jury van wie mee mag doen in het openbare debat. Daarbij sneuvelt het getuigenis over de verrezen Heer helaas maar al te vaak.

Laten wij trouw zijn in het vertrouwen in Christus. Laten wij Hem op zijn woord geloven, en dus vertrouwen dat de Heilige Geest ook nu zijn Kerk nabij is. De dood heeft Jezus niet weerhouden de Verlosser van de mensen te zijn. Integendeel. Ook menselijke ontrouw zal de Heer niet kunnen stoppen. Hij is onze enige hoop.


Woensdag in de vijfde week van Pasen – 13 mei

Uit de Handelingen der apostelen

In die dagen waren enige mensen die van Judea waren gekomen en aan de broeders de leer verkondigden:
‘Indien ge u niet naar Mozaïsch gebruik laat besnijden, kunt ge niet gered worden.’
Toen hierover strijd ontstond en Paulus en Barnabas in een felle woordenwisseling met hen raakten, droeg men Paulus en Barnabas en enkele andere leden van de gemeente op met deze strijdvraag naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem te gaan. Nadat hun door de gemeente uitgeleide was gedaan, reisden zij door Fenicië en Samaria, waar ze alle broeders grote vreugde bereiden door te vertellen van de bekering der heidenen.
Bij hun aankomst te Jeruzalem werden zij ontvangen door de gemeente, de apostelen en de oudsten en zij verhaalden alles wat God met hun medewerking tot stand had gebracht. Maar enige gelovigen, afkomstig uit de partij der Farizeeën, stonden op en verklaarden, dat men hen moest besnijden en hun opleggen de Wet van Mozes te onderhouden.
De apostelen en de oudsten kwamen dus bijeen om deze zaak te bezien.

Lezingen van de dag

In het tiende hoofdstuk van de Handelingen ontdekt de apostel Petrus in een visioen dat de heidenen ook geroepen zijn tot het heil, omdat voor God niemand onrein is. Daarom doopt hij de heidense honderdman en heel diens huishouden. Voor ons, voor het merendeel afkomstig uit het heidendom, is het vanzelfsprekend dat wij er ook bij horen.

Maar uit de lezing van vandaag, vijf hoofdstukken verder, blijkt dat niet alle leerlingen van de Heer daarvan overtuigd waren. Sommigen waren van mening dat nieuwe gelovigen eerst lid moesten worden van het Joodse volk en geloof. Dit leidt tot een felle strijd. Uiteindelijk wordt op het allereerste concilie van de Kerk in Jeruzalem beslist, dat de heidenen niet eerst Joods hoeven te worden.

Niet ethniciteit, het behoren tot een volk, is bepalend, maar het behoren bij Christus. Dus niet de besnijdenis, maar het doopsel. Voor ons is dit zo normaal, dat we zouden kunnen vergeten dat ons kind-van-God-zijn alles te maken heeft met Gods genade die natuurlijke grenzen overschrijdt.

Het is goed om hierop alert te blijven. Want voor je het weet, kun je verstrikt raken in een goddeloos wij/zij-denken: Wie is welkom? Aan welke criteria moet iemand voldoen om toegelaten te worden (en niet alleen tot het doopsel)? Als zoiets in onze kerkgemeenschap zou binnensluipen, dan hebben we een groot probleem. Want wij zijn niet de maat der dingen, Christus is maatgevend. Wij zijn geroepen om met Hem verbonden te leven als ranken aan de wijnstok. Niet omwille van afkomst of verdienste, maar omwille van zijn genade. 


Woensdag in de vierde week van Pasen – 6 mei

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd verklaarde Jezus met luider stem: ‘Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem die Mij gezonden heeft; en wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gezonden heeft. Als een licht ben Ik in de wereld gekomen, opdat al wie in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft. Indien iemand mijn woorden hoort zonder ze te onderhouden, dan veroordeel Ik hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te veroordelen, maar om de wereld te redden. Want wie Mij verwerpt en mijn woorden niet aanvaardt, heeft reeds iemand die hem veroordeelt: het woord dat Ik gesproken heb, dat zal hem veroordelen op de laatste dag. Ik heb immers niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader die Mij gezonden heeft. Hij heeft Mij opgedragen wat Ik moet zeggen en verkondigen. Ik weet dat zijn opdracht eeuwig leven betekent. Wat Ik dus verkondig, verkondig Ik zoals de Vader het Mij gezegd heeft.’

Lezingen van de dag

Jezus zegt: ‘Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem die Mij gezonden heeft; en wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gezonden heeft.’ God, de Schepper die ons allen het leven heeft gegeven, die ons naar zijn beeld en gelijkenis heeft geschapen, hoeft voor ons geen onbekende te zijn. Mensen zeggen wel eens dat je over God niet veel kunt zeggen, omdat niemand God heeft gezien. Maar Jezus leert ons iets anders. Wij kunnen God namelijk kennen door naar Jezus te kijken. Kort gezegd: wie Jezus ziet, ziet God.

Hij is dus de God van de menswording. Hij heeft ons bestaan gedeeld. God is niet ver weg bij de alledaagse dingen. Op het werk, in het gezin, op school, voor kinderen, volwassenen en ouderen, is God nabij. Wij hoeven nooit te denken dat God ons heeft verlaten. In alle omstandigheden van het menselijk leven is Hij bij ons.

Hij is de God die voor ons heeft willen lijden aan het kruis en die voor ons heeft willen sterven. Alles heeft Hij voor ons overgehad. Zo lief heeft Hij ons. Als we de onvoorwaardelijke en onbaatzuchtige liefde van God willen zien, hoeven we maar naar een kruisbeeld te kijken. Daar zien we God die niets te veel is om ons te redden van de eeuwige dood. Die de dood accepteert om ons het leven te geven.

Hij is de God die ons een moeder heeft gegeven, dezelfde moeder die Hij voor zichzelf had uitverkoren. Maria, moeder van Jezus, moeder van God, is ook moeder van alle gelovigen. ‘Zie daar uw moeder,’ sprak Jezus aan het kruis tot Johannes. En Johannes nam haar bij zich in huis. Zo mogen wij ook Maria bij ons thuis weten. Haar moederlijke liefde en zorg geldt niet alleen Jezus, maar ons allemaal.

Hij is de God van de verrijzenis. Sterker dan de dood is de liefde, zegt het boek Hooglied. En dat is werkelijkheid geworden in Jezus Christus. Jezus is uit de dood opgestaan en zijn liefde voor ons is sterker dan zonde en dood. En dankzij Hem kunnen ook wij met Jezus delen in het leven waar aan geen einde komt: het leven met God.

Jezus zegt: ‘Als een licht ben Ik in de wereld gekomen, opdat al wie in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft.’ Wij hoeven niet in de duisternis van onzekerheid, angst en onwetendheid te leven. Wij kunnen leven in het licht van het geloof, het geloof in Jezus Christus. Want Hij geeft licht aan ons leven. Hij is het Licht van ons leven.


Dinsdag 5 mei

Psalm 87

Zijn stad op de heilige bergen: de Heer heeft haar lief.
De poorten van Sion veel meer dan alle tenten van Jakob.
Hoe groots is het wat er van u wordt voorzegd, Jeruzalem, stad van God.

Eens worden Egypte en Babel geteld tot hen die de Heer vereren.
Ja, Filistijnen en Tyrus en Koes, ook zij worden burgers van Sion.

Zij zullen dan zeggen: mijn moeder is zij, uit haar zijn wij allen geboren.
En Hij zal zelf verklaren, de Allerhoogste, de Heer.

Hij zal in het boek van de volkeren schrijven: ook deze horen daar thuis.
Dan zullen zij dansen en zingen: de bron van ons leven zijt Gij.

Lezingen van de dag

Wat een prachtig visioen schildert de psalmist. Eerst wordt Gods liefde voor Sion bezongen, de heilige tempelberg, en voor Jeruzalem. En daarna worden allerlei vreemde volkeren genoemd. Het gaat daarbij niet over zo maar buitenlanders. Dit zijn volken die bijna symbool staan voor vijandschap, zoals Egypte door de slavernij of Babel door de ballingschap of de Filistijnen als oorspronkelijke bewoners.

Maar aan de stad op de heilige bergen worden grootse dingen beloofd. Een belofte die alles te maken heeft met die vreemdelingen. Want ‘eens’ worden zij burgers van Sion om voortaan bij de Heer te horen.

Hier horen we in het Oude Testament al de universaliteit van het heil doorklinken: God is bron van leven niet alleen voor Israël, maar ook voor de andere volken. God wil dat alle mensen delen in zijn leven.

Maar hoe moet je je dat voorstellen? In de Handelingen der Apostelen kunnen we die ontdekking op de voet volgen. De Heer had zijn leerlingen uitgezonden om het Evangelie aan alle volkeren te verkondigen en hen te dopen. Dat lijkt duidelijk genoeg. Toch beseffen de apostelen en de jonge Kerk pas na het visioen van Petrus in Joppe en de nederdaling van de Heilige Geest over heidenen, dat die zich niet eerst tot het jodendom moeten bekeren. Redding is er voor iedereen die zich laat dopen in de naam van Jezus.

Iedereen is welkom, zoals het 3e eucharistisch gebed bidt:
“Altijd blijft Gij bezig U een volk bijeen te brengen uit alle naties en rassen en talen;
want van oost tot west moet door een zuivere offergave hulde worden gebracht aan uw Naam”.

De belofte uit de psalm geldt dus ook voor ons. We worden niet alleen maar geduld, we mogen thuis zijn bij God! Of zoals de Heer het zelf zegt: “In het huis van mijn Vader is woning voor velen”.


Maandag in de vierde week van Pasen – 4 mei

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus: ‘Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Maar de huurling, die geen herder is en geen eigenaar van de schapen, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht weg; de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen. Hij is dan ook maar een huurling en heeft geen hart voor de schapen. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen.
Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapsstal zijn. Ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: één kudde, één herder. Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef, om het later weer terug te nemen. Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf. Macht heb Ik om het te geven en macht om het terug te nemen: dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen.’

Lezingen van de dag

In de eerste lezing vertelt Petrus over een visioen dat hij had. Door dat visioen laat God aan Petrus weten dat hij moet accepteren wat God rein heeft verklaard. En hij begrijpt dat God hiermee de mensen buiten Israël bedoelt. God wil niet alleen een Vader zijn voor de Joden, maar voor alle mensen. En daarom moet Petrus ook de niet-Joden die in Jezus geloven, aanvaarden binnen het volk van God, binnen de Kerk.

God wil een Vader zijn voor alle mensen. Hij wil dat alle mensen bij zijn kudde gaan horen. En de Herder die God over die kudde heeft aangesteld is Jezus. Jezus brengt liefdevol de mensen samen rondom zichzelf. En Hij brengt ze in de schaapsstal van God.
Jezus noemt zichzelf ‘de goede Herder’. Omdat Hij voor de mensen alleen het goede wil. Daar heeft Hij alles voor over, zelfs zijn eigen leven. ‘Ik geef mijn leven voor de schapen,’ zegt Hij, en dat heeft Hij waargemaakt.

Wat een geluk dat wij bij Gods kudde mogen horen. Wat een geluk dat God het verbond met de mensen niet heeft beperkt tot Israël, maar heeft opengesteld voor iedereen. Gods liefde is te groot voor één volk. Gods liefde omvat alle mensen.

Jezus zei: ‘Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. … Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapsstal zijn. Ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: één kudde, één herder.’
Jezus kent ons, onze goede en slechte kanten, onze talenten en onze zwaktes, onze angst en onze hoop. Laten wij op onze beurt Hem steeds beter leren kennen. Luisteren we dus naar de stem van deze Goede Herder. Laten wij zijn woorden meedragen in ons hart en Hem vertrouwen en volgen.


Vierde zondag van Pasen – 3 mei

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie niet door de deur, maar langs een andere weg de schaapskooi binnengaat, hij is een dief en een rover. Maar wie door de deur binnengaat, is de herder van de schapen. Hem doet de deurwachter open. De schapen luisteren naar zijn stem; hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. En als hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht, trekt hij voor hen uit, terwijl zij hem volgen, omdat zij zijn stem kennen. Een vreemde echter zullen ze niet volgen; integendeel, zij zullen van hem wegvluchten, omdat ze de stem van vreemden niet kennen.’
Deze gelijkenis vertelde Jezus hun, maar zij begrepen niet wat Hij hun wilde zeggen.
Een andere keer zei Jezus tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen. Allen die voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered; hij zal in- en uitgaan en weide vinden. De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en te vernietigen; Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten en wel in overvloed.

Lezingen van de dag

Op deze zondag van de Goede Herder horen we in het Evangelie over een herder en over dieven en rovers. Het verschil tussen beiden is groot.

De dieven en de rovers gebruiken de kudde alleen maar voor hun eigen doeleinden: stelen, slachten en vernietigen. Zij hebben geen oog of hart voor het wel en wee van de schapen. De schapen vluchten dan ook van ze weg omdat zij hun stem niet herkennen. Alsof ze aanvoelen dat hen te volgen de dood betekent.
Daartegenover staat de eigen herder: hij kent zijn schapen bij name en zij herkennen zijn stem. Zij voelen zich veilig, zij luisteren naar hem en volgen hem.

Zo een herder is Christus. Hij is niet gekomen om ten koste van de schapen er zelf beter van te worden. Hij is gekomen om aan de kudde leven te geven in overvloed.

Waarom zouden wij dit geloven? Omdat Christus het zegt? Inderdaad, maar met een reden. Omdat deze herder bereid was zijn leven te geven voor zijn schapen. Want al kost het ons niets, het kost Hem zijn leven.

Waarom zouden we dit geloven? Omdat Johannes, de andere apostelen en evangelisten ontdekt hebben dat Jezus wat zei, Hij ook liet zien in daden. Op Goede Vrijdag heeft Hij zich geheel en al gegeven. Op het kruis offert Christus zich op voor ons.

Waarom zouden we dit geloven? Omdat de leerlingen ervaren hebben dat Jezus’ woorden en daden door God zijn Vader bekrachtigd werden op Pasen.

De verrijzenis van de Heer heeft christenen eeuwen lang de moed gegeven op Hem te vertrouwen. Laten ons telkens aansluiten bij de kudde van Christus omdat Hij ons redden wil en het leven schenkt.


Zaterdag in de derde week van Pasen – 2 mei

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die dagen zeiden velen van de leerlingen van Jezus: ‘Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie kan daar naar luisteren?’
Maar Jezus, die uit zichzelf wist dat zijn leerlingen daarover morden, vroeg hun: ‘Neemt gij daar aanstoot aan? Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen naar waar Hij vroeger was…? Het is de geest die levend maakt, het vlees is van geen nut. De woorden die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven. Maar er zijn er onder u, die geen geloof hebben.’ – Jezus wist inderdaad van het begin af aan wie het waren die niet geloofden en wie Hem zouden overleveren –.
Hij voegde er aan toe: ‘Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij kan komen, als het hem niet door de Vader gegeven is.’
Ten gevolge hiervan trokken velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten zijn gezelschap. Waarop Jezus aan de twaalf vroeg: ‘Wilt ook gij soms weggaan?’ Simon Petrus antwoordde Hem: ‘Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven, en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.’

Lezingen van de dag

In die dagen zeiden velen van de leerlingen van Jezus: ‘Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie kan daar naar luisteren?’
Wat voor schokkends had Jezus dan toch gezegd dat velen van zijn leerlingen Hem verlieten? We hoorden het in het Evangelie van gisteren: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank.’

Jezus spreekt over het eten van zijn vlees, zijn lichaam, en over het drinken van zijn bloed. Dat klinkt behoorlijk kannibalistisch. En dat is inderdaad stuitend. Jezus benadrukt dat Hij het niet symbolisch bedoelt: ‘Mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank.’ Begrijpelijk dat mensen daar over vielen.
Toch is de houding van de twaalf leerlingen die ook apostelen zouden worden, anders. Petrus zegt namens hen: ‘Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven, en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.’ Zij hebben waarschijnlijk niet meer begrepen dan de anderen die vertrokken waren. Maar ze beseffen dat ze Jezus niet mogen beoordelen naar menselijke maatstaven. Jezus is niet te vatten in menselijke begrippen. Hij is immers de Heilige Gods.

Met deze houding moeten we dan ook kijken naar het eten en drinken van zijn Lichaam en Bloed. Als Jezus het Laatste Avondmaal viert met zijn leerlingen, zegt Hij over het brood: ‘Dit is mijn Lichaam.’ En over de wijn: ‘Dit is mijn Bloed.’ Dat is voor ons, mensen, niet te begrijpen. Hoe kan brood het Lichaam van Jezus zijn? En hoe kan wijn zijn Bloed zijn? Dat is niet te vatten.
Maar Jezus zegt het. Hij is de Heilige Gods, Gods Zoon. En daarom geloven wij het, net als de twaalf leerlingen die Jezus trouw bleven.
Als wij de Communie ontvangen, ontvangen we de Heer zelf. Als we het Allerheiligste in de monstrans aanbidden, aanbidden we de Heer zelf. Dat is ons Rooms-katholieke geloof, en dat is wat Jezus zelf ons heeft gezegd.


Vrijdag in de derde week van Pasen – 1 mei

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die dagen raakten de Joden met elkaar in twist en zeiden: ‘Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?’ Jezus sprak daarop tot hen: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Zoals Ik door de Vader die leeft, gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet, leven door Mij. Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet zoals bij de vaderen, die gegeten hebben en niettemin gestorven zijn: wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.’ Dit zei Jezus bij zijn onderricht in de synagoge van Kafarnaüm.

Lezingen van de dag

Het zesde hoofdstuk van Johannes raakt de kern van ons geloof wanneer Jezus spreekt over het voedsel dat Hij geven zal. Maar wat Hij zegt, roept weerstand op. Hij heeft het immers over zijn lichaam en bloed als spijs en drank. De Joden, leerlingen en niet-leerlingen, vragen zich af hoe Hij zijn vlees als eten kan geven en zij raken met elkaar in strijd.

Het zal u vast en zeker al vaker zijn opgevallen, hoe de Heer daarop reageert. Hij spreekt geen sussende woorden, integendeel Hij herhaalt en formuleert ze alleen nog maar scherper: ‘echt voedsel en echte drank’.

Hoe moeilijk dit te verteren valt, blijkt tot op de dag van vandaag. Het is zoveel redelijker en gemakkelijker om de woorden van de Heer symbolisch uit te leggen. ‘Wat de Heer eigenlijk bedoelt…’ en dan volgt een verklaring die veel beter te pruimen valt dan de letterlijke woorden.

Het probleem is echter dat de Heer ook zo had kunnen reageren, maar dat dus niet doet. Wie de woorden van Jezus serieus wil nemen, zal ze daarom moeten aanvaarden.

Het katholieke geloof heeft dat vanaf het begin van de Kerk gedaan. Dat blijkt heel simpel uit de godslampen die ook in deze tijd bij onze tabernakels branden, ook al zijn de kerken gesloten. Want de Godslamp getuigt van Christus’ aanwezigheid in de geconsacreerde hostie. Of er gelovigen in de kerk zijn of niet. Hij is er.

Het vraagteken van het ‘hoe’ moeten we uiteindelijk vervangen door het uitroepteken van de verwondering. Want alle gezangen, alle gebeden, alle theologische bespiegelingen van de Kerk over de Eucharistie getuigen van de verwondering en de dankbaarheid om Christus’ blijvende aanwezigheid. Om het met een modern woord te zeggen: ‘Wow, dat Christus dat voor ons wil doen!’

(En dat is tegelijkertijd een antwoord op het ‘hoe’: omdat Hij dat zo wil en belooft).


Donderdag in de derde week van Pasen – 30 april

Uit de Handelingen der apostelen

In die dagen sprak een Engel van de Heer sprak tot Filippus: ‘Begeef u op reis naar het zuiden en ga de weg op die van Jeruzalem naar Gaza loopt. Deze is eenzaam.’ Hij begaf zich op reis. Terzelfder tijd bevond een Ethiopiër zich op de terugweg van een pelgrimstocht naar Jeruzalem; hij was een eunuch, een hoveling van Kandake, de koningin van de Ethiopiërs, en haar opperschatmeester. Gezeten in zijn reiskoets was hij de profeet Jesaja aan het lezen. De Geest sprak tot Filippus: ‘Ga naar die reiskoets en blijf in de nabijheid.’ Toen Filippus er naar toe gegaan was, hoorde hij hem de profeet Jesaja lezen. Hij vroeg hem: ‘Begrijpt ge wat ge leest?’ Maar de Ethiopiër antwoordde: ‘Hoe zou ik dan kunnen, als niemand mij daarin behulpzaam is?’ Hij nodigde Filippus uit in te stappen en bij hem te komen zitten. De schriftuurplaats die hij juist las was de volgende: Als een schaap werd Hij ter slachtbank geleid; en evenals een lam, stom tegen zijn scheerder, opende Hij zijn mond niet. Door zijn vernedering is zijn vonnis voltrokken. Wie zal zijn geslacht kunnen beschrijven? Want zijn leven wordt weggenomen van de aarde. Nu richtte de eunuch het woord tot Filippus: ‘Mag ik u vragen van wie de profeet dit zegt? Van zichzelf of van iemand anders?’ Filippus begon te spreken en uitgaande van deze tekst verkondigde hij hem Jezus.
Al voortreizende kwamen ze bij een water en de hoveling zei: ‘Hier is water. Wat is er op tegen, dat ik gedoopt word?’ Hij liet de koets stil houden en beiden, Filippus en de eunuch, daalden af in het water en hij doopte hem. Toen zij in het water gekomen waren, rukte de Geest des Heren Filippus weg; de eunuch zeg hem niet meer en zette vol blijdschap zijn reis voort. Filippus echter werd aangetroffen in Azotus. Daar trok hij rond en predikte de Blijde Boodschap in alle steden totdat hij in Caeserea kwam.

Lezingen van de dag

Filippus leert de Ethiopiër aan de hand van een bijbeltekst wie Jezus is. Dat klinkt heel gewoon. In de Bijbel wordt immers over Jezus verteld. Maar als je even nadenkt, is het minder vanzelfsprekend. Want dit verhaal speelt kort na de dood en de verrijzenis van Jezus. De Evangelies waren nog niet geschreven, Paulus moest waarschijnlijk zijn eerste brief aan een christengemeente nog schrijven, ja, het hele Nieuwe Testament bestond nog niet!
Filippus onderricht de Ethiopiër dus over Jezus aan de hand van het Oude Testament, aan de hand van teksten die geschreven waren, eeuwen voor de geboorte van Jezus. Hoe kan dat?

Het antwoord op die vraag is God zelf. In het Oude Testament staan teksten die voortkomen uit de ervaringen van Israël met God. Het zijn teksten van mensen, maar ze gaan wel over God. Ze gaan over dezelfde God die zich geopenbaard heeft in Jezus, die is mens geworden in Jezus Christus. Het is dus niet vreemd dat we God, zichtbaar in Jezus, al kunnen herkennen in het Oude Testament. Weliswaar is het beeld dat van God in het Oude Testament opduikt wat versluierd. Maar dat is logisch, omdat het teksten van mensen zijn. Het beeld van God wordt pas helemaal helder wanneer God zichzelf uitspreekt, en dat doet Hij in Jezus Christus.

We kunnen Jezus herkennen in bijvoorbeeld de verhalen over Jozef die door zijn broers verkocht wordt en gevangen naar Egypte wordt afgevoerd. We kunnen Hem herkennen in de psalmen. Lees maar eens psalm 16 of psalm 22. We kunnen Jezus herkennen in Jesaja 53, waaruit de Ethiopiër las. En als we hoofdstuk 2 van het boek Wijsheid lezen, is het alsof we meeluisteren met de beraadslagingen van de overheden die Jezus gaan ombrengen.

Het Oude Testament is niet gemakkelijk om te lezen. En het beeld van God erin is wat wazig. Maar wie het leest met kennis van Christus in het achterhoofd, zal regelmatig sporen van de hemelse Vader van Jezus herkennen. Het duidelijkste beeld van God vinden we natuurlijk in Jezus zelf. Hij zei immers niet voor niets: ‘Wie Mij ziet, ziet de Vader.’


H. Catharina van Siëna – 29 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd sprak Jezus: ‘Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze heb geopenbaard aan kleinen. Ja, Vader, zo heeft het U behaagd. Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand kent de Zoon tenzij de Vader, en niemand kent de Vader tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon het wil openbaren. Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.

Lezingen van de dag

Waarom houdt God dingen verborgen voor wijzen en verstandigen, die Hij wel openbaart aan kleinen?

Vanwege de diepe valkuil die er bestaat voor die wijzen en verstandigen. Zij zouden namelijk kunnen denken dat hun inzicht te danken is aan hun verstand. Of omdat zij de juiste papieren hebben en daaraan rechten kunnen ontlenen. Terwijl het ware inzicht, namelijk God te kennen, van God komt, om niet door Hem wordt geopenbaard. De zogenaamde kleinen kunnen niet bogen op studies of diploma’s. En juist aan hen openbaart God zichzelf. Zo laat Hij zien dat het genade is om Hem te kennen.

De heilige van vandaag, Catharina van Siëna (1347-1380), begon haar leven met veel beperktheden. Ze kwam niet uit een arm milieu, maar er waren voor haar als vrouw weinig mogelijkheden. Zo leerde ze pas op latere leeftijd lezen en schrijven. Maar dat weerhield haar er niet van om briefwisselingen aan te gaan met pausen, bisschoppen, politici en vele anderen. Ze dicteerde haar brieven gewoon. Al hadden vrouwen beperkte maatschappelijke of kerkelijke inbreng, zij nam haar verantwoordelijkheid en er werd naar haar geluisterd.

In haar leven heeft Catharina de Heer leren kennen en zij wist zich bruid van Christus. Dat heeft haar een enorme vrijmoedigheid gegeven om te spreken, te schrijven en te vermanen. Niet vanuit een superieure positie, maar omdat zij ervan overtuigd was dat haar broeders en zusters tot eenzelfde innige relatie met Christus geroepen waren.

Catharina liet haar geloof niet indammen door haar tijd of haar contekst. Zij zocht de vrijheid van de kinderen Gods en zij liet zich gezeggen door Gods Geest. Niet voor niets heeft de Kerk haar uitgeroepen tot kerklerares. Haar boodschap daagt ons uit om christen te zijn met onze eigen beperktheden en om van de Heer te getuigen in deze tijd.


Dinsdag in de derde week van Pasen – 28 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei de menigte tot Jezus: ‘Wat voor teken doet Gij dan wel, waardoor wij kunnen zien dat wij in U moeten geloven? Wat doet Gij eigenlijk? Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, zoals geschreven staat: Brood uit de hemel gaf hij hun te eten.’ Jezus hernam: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wat Mozes u gaf was niet het brood uit de hemel; het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven; want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de wereld.’ Zij zeiden tot Hem: ‘Heer, geef ons altijd dat brood.’ Jezus sprak tot hen: ‘Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen.‘

Lezingen van de dag

Jezus zegt: ‘Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt, zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen.’
Jezus geeft ons leven. Zoals we iedere dag lichamelijk voedsel nodig hebben, zo hebben we iedere dag geestelijk voedsel nodig. En zoals brood ons lichaam iedere dag kan voeden, versterken en onderhouden, zo kan Jezus ons iedere dag geestelijk voeden, versterken en onderhouden.

Wie iedere dag met Jezus leeft, zal geestelijk nooit honger of dorst krijgen. Hij heeft ons genoeg te geven voor ons hele leven. Paulus schrijft in de brief aan de Galaten: ‘Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij.’ Zozeer was Paulus vol van de Heer. En toen Stefanus gestenigd werd, bleef hem nog maar één hoop over: Jezus. En daarom bad Stefanus: ‘Heer Jezus, ontvang mijn geest.’ We kunnen het lezen in de eerste lezing.

Dat Jezus brood voor ons is, iedere dag opnieuw, wordt tastbaar in de Eucharistie. Niet voor niets is er in de meeste Rooms-katholieke parochies vrijwel iedere dag een heilige Mis. Geef ons heden ons dagelijks brood, heeft Christus ons geleerd te bidden. En Hij beantwoordt die bede door Zichzelf iedere dag opnieuw te geven! Hij is ons dagelijks Brood.

In deze tijd van beperkingen door het coronavirus kunnen we de Mis helaas niet dagelijks vieren. Maar we kunnen wel bij de Heer aanwezig zijn. De kerk gaat iedere week een paar keer open. Op deze website staat te lezen wanneer en hoe laat. En als we de kerk bezoeken, zullen we daar Christus aantreffen, in de gedaante van het eucharistische brood. Zo kunnen we Jezus aanbidden, die ons ondanks alles toch nabij is.


Maandag in de derde week van Pasen – 27 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Het volk dat aan de ene kant van het meer was gebleven, na de wonderbare broodvermenigvuldiging, had gezien dat daar maar één bootje gelegen had, dat Jezus niet met zijn leerlingen was scheep gegaan, maar dat zijn leerlingen alleen waren vertrokken. De volgende dag echter kwamen er bootjes uit Tiberias dicht bij de plaats waar men het brood had gegeten na het dankgebed van de Heer. Toen de mensen bemerkten dat noch Jezus noch zijn leerlingen daar waren, gingen zij in de boten en voeren in de richting van Kafarnaüm op zoek naar Jezus. Zij vonden Hem aan de overkant van het meer en zeiden: ‘Rabbi, wanneer bent U hier gekomen?’ Jezus nam het woord en zeide: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Niet omdat gij tekenen gezien hebt, zoekt ge Mij, maar omdat gij van de broden hebt gegeten tot uw honger was gestild. Werkt niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft om eeuwig te leven en dat de Mensenzoon u zal geven. Op Hem immers heeft de Vader, God zelf, zijn zegen gedrukt. Daarop zeiden zij tot Hem: ‘Welke werken moeten wij voor God verrichten?’ Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Dit is het werk dat God van u vraagt: te geloven in Degene, die Hij gezonden heeft.’

Lezingen van de dag

Soms kunnen mensen bars tegen een ander uitvallen of scherp reageren op wat een ander zegt of doet. Als dat mij overkomt, dan is het vaak moeilijk om niet te zeggen of te denken: “bekijk jij het even.” Dat is zeker zo wanneer ook nog eens mijn beweegredenen in twijfel worden getrokken. Om dan rustig en kalm te blijven…

Hoe bijzonder dat we juist die laatste reactie regelmatig tegenkomen bij gesprekspartners van Jezus. Bij de bruiloft van Kana valt de Heer uit tegen zijn moeder als zij Hem erop wijst dat de wijn op is: “Vrouw, wat heb Ik met u te maken?” Maria zegt daarop alleen maar tegen de bedienden: “Doet maar wat Hij u zeggen zal.”

Vandaag zien we hetzelfde gebeuren. De mensen zoeken de omgeving af om Jezus te vinden en als ze Hem uiteindelijk gevonden hebben, dan zegt Hij dat ze alleen maar komen omdat Hij hun honger heeft gestild (met de wonderbare broodvermenigvuldiging). Volgens de Heer spannen ze zich in voor het voedsel dat vergaat.

Zo een commentaar moet pijnlijk zijn geweest na al hun inspanningen. Maar als Jezus spreekt over voedsel van eeuwig leven dat de Mensenzoon zal geven, dan reageren ze niet teleurgesteld, maar met belangstelling: “Welke werken moeten wij verrichten?” oftewel: wat moeten wij dan doen?

Het antwoord is eenvoudig. Het gaat niet om allerlei bezigheden of goed gedrag. God wil dat zij in Hem geloven die Hij gezonden heeft. Geloven in Hem, dat moeten zij doen.

Gelovigen proberen hun leven gelovig in te vullen. In hun doen en laten willen zij Christus volgen. Maar wat als de Heer anders handelt dan wij zouden willen? Wat als de scherpte van zijn woorden ons pijnlijk raakt? Houden wij het dan uit?
Ik bid voor u en voor mijzelf dat wij ook dan in Hem blijven geloven en doen wat Hij vraagt.


Derde zondag van Pasen – 26 april

Uit de eerste brief van de heilige apostel Petrus

Dierbaren, God die gij aanroept als Vader, is ook de onpartijdige rechter over al onze daden; koestert daarom ontzag voor Hem, zolang gij hier in ballingschap leeft. Gij weet dat gij niet met vergankelijke dingen, zoals goud en zilver, zijt verlost uit het zinloze bestaan dat gij van uw vaderen had geërfd. Gij zijt verlost door het kostbaar bloed van Chris­tus, het lam zonder vlek of gebrek, dat uitverkoren was voor de grondlegging der wereld, maar eerst op het einde der tijden is verschenen, om uwentwil. Door Hem gelooft gij in God, die Hem van de doden opgewekt en Hem de heerlijkheid gegeven heeft; daarom is uw geloof in God tevens hoop op God.

Lezingen van de dag

Petrus noemt in zijn brief het menselijk bestaan een ‘ballingschap’ en een ‘zinloos bestaan’. Waarom doet hij dat? Omdat het puur aardse leven, het leven zonder band met God, uitloopt op de dood. En als de dood het laatste zou zijn, zou alles dus letterlijk op niets uitlopen.

Die houding vinden we ook in het Evangelie bij de Emmaüsgangers. Als Jezus hun vraagt waarom ze bedrukt zijn, zeggen ze: ‘Dat met Jezus de Nazarener, een man die profeet was, machtig in daad en woord in het oog van God en heel het volk; hoe onze hogepriesters en overheidspersonen Hem hebben overgeleverd om ter dood te worden veroordeeld en Hem aan het kruis hebben geslagen. En wij leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen! Maar met dit al is het reeds de derde dag sinds die dingen gebeurd zijn.’

Ze hadden zoveel goeds met Jezus meegemaakt. En ze hadden nog zoveel verwachtingen van Hem. Maar met de dood van Jezus kwam aan dat alles een einde. Het leek allemaal voor niets te zijn geweest. Tot ze Jezus herkenden in het breken van het brood. Toen zagen ze: dit is onze Heer. Hij is uit de dood opgestaan.

De opstanding van Jezus uit de dood verandert alles, ook voor ons. Zijn verrijzenis geeft een volkomen nieuw perspectief aan ons bestaan. Want door de opstanding van Jezus uit de dood hoeft ook ons leven niet op niets uit te lopen. Als wij ons aan Hem toevertrouwen, dan zal Hij ons niet loslaten.

Petrus schreef: Door Hem gelooft gij in God, die Hem van de doden opgewekt en Hem de heerlijkheid gegeven heeft; daarom is uw geloof in God tevens hoop op God.
Ons geloof geeft ons hoop. Ons geloof geeft licht, wanneer het duister in ons leven is. Wij hoeven nooit het hoofd te laten hangen. Soms kan ons leven een ballingschap lijken, een zinloos bestaan, zoals Petrus schrijft in zijn brief. Maar tenslotte komt alles goed. En dat kan ons vreugde geven.

De psalm van vandaag verwoordt die vreugde mooi: Daarom ben ik vrolijk en blij van geest, daarom kan ik rustig gaan slapen. Mijn ziel laat Gij niet aan het dodenrijk over, Gij levert mij niet uit aan het graf. Gij zult mij de weg van het leven wijzen om heel mij vreugde te vinden bij U, bestendig geluk aan uw zijde.

Jezus is van de dood opgestaan. En wij zullen met Hem leven. Nee, nu al mogen wij leven met Hem. En daar kan niets en niemand tussen komen. Leven met Jezus is leven voor altijd.


H. Marcus, evangelist – 25 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd, toen Jezus aan de elf verscheen, sprak Hij tot hen: ‘Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping. Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden, maar wie niet gelooft zal veroordeeld worden. En deze tekenen zullen de gelovigen vergezellen: in mijn Naam zullen ze duivels uitdrijven, nieuwe talen spreken, slangen opnemen; zelfs als ze dodelijk vergif drinken zal het hun geen kwaad doen; en als ze aan zieken de handen opleggen, zullen deze genezen zijn.’
Nadat de Heer Jezus aldus tot hen gesproken had, werd Hij ten hemel opgenomen en zit aan de rechterhand van God.
Maar zij trokken uit om overal te prediken, en de Heer werkte met hen mee en schonk kracht aan hun woord door de tekenen die het vergezelden.

Lezingen van de dag

De tekst van vandaag is het slot van het Marcus-evangelie. Dit einde herneemt het begin ervan. Zoals in het begin Johannes de Doper worden nu de leerlingen gezonden om te verkondigen en voor de wereld de weg te banen naar de Heer door het doopsel. De oproep tot bekering van de Doper weerklinkt in de redding voor wie geloven en zich laten dopen.

Marcus die we vandaag vieren, is kort en bondig en windt geen doekjes om de boodschap: enerzijds redding en anderzijds veroordeling. De moderne mens heeft het vaak moeilijk met zulke uitersten. Ook in de Kerk wordt zo nu en dan de vraag gesteld of je iemand mag bekeren. Over proselytisme (‘zieltjes winnen’) wordt dan met afkeuring gesproken. Maar wat kunnen wij, armzalige mensen, inbrengen tegen Christus die immers zelf aan zijn leerlingen de opdracht geeft om te verkondigen en het Evangelie uit te dragen?

Wat soms vergeten wordt, is dat Christus redding brengt aan een mensheid die verloren loopt. Hoe machtig wij denken te zijn of wat wij menen te kunnen, in deze tijd blijkt voor iedereen hoe beperkt wij mensen zijn. Laat staan dat wij bij machte zouden zijn om onszelf te verlossen. Allen staan wij onder het oordeel, of je nu christen bent of niet.
Maar precies van dat oordeel is Christus ons komen redden. Wat daarvoor nodig is, is geloof: dat je op Hem durft vertrouwen; en het doopsel: dat je bij Hem wilt horen en met Hem wilt leven.

Als er überhaupt voor iemand redding is, dan alleen dankzij Christus die zijn leven heeft gegeven voor de wereld om haar te redden. Wanneer de leerlingen er vervolgens op uit trekken om overal te prediken, dan is dat omdat de Heer hun dat opdraagt en omdat zij Zijn redding aan anderen gunnen.


Vrijdag in de tweede week van Pasen – 24 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die dagen begaf Jezus zich naar de overkant van het meer van Galilea, bij Tiberias. Een grote menigte volgde Hem, omdat zij de tekenen zagen die Hij aan de zieken deed. Jezus ging de berg op en zette zich daar met zijn leerlingen neer. Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden.
Toen Jezus zijn ogen opsloeg en zag dat er een grote menigte naar Hem toekwam, vroeg Hij aan Filippus: ‘Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten?’ – Dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want zelf wist Hij wel wat Hij ging doen. – Filippus antwoordde Hem: ‘Wil ieder ook maar een klein stukje krijgen, dan is voor tweehonderd denariën brood nog te weinig.’
Een van zijn leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, merkte op: ‘Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen, maar wat betekent dat voor zo’n aantal?’ Jezus echter zei: ‘Laat de mensen gaan zitten.’ Er was daar namelijk veel gras. Zij gingen dan zitten; het aantal mannen bedroeg ongeveer vijfduizend.
Toen nam Jezus de broden en na het dankgebed gesproken te hebben, liet Hij ze uitdelen onder de mensen die daar zaten, alsmede de vissen, zoveel men maar wilde. Toen ze verzadigd waren zei Hij tot zijn leerlingen: ‘Haalt nu de overgebleven brokken op om niets verloren te laten gaan.’ Zij haalden ze op en vulden van de vijf gerstebroden twaalf manden met brokken, welke door de mensen na het eten overgelaten waren.
Toen de mensen het teken zagen dat Hij gedaan had, zeiden ze: ‘Dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen.’ Daar Jezus begreep, dat zij zich van Hem meester wilden maken om Hem mee te voeren en tot koning uit te roepen, trok Hij zich weer in het gebergte terug, geheel alleen.

Lezingen van de dag

In deze tijd waarin het dagelijks leven van veel mensen sterk beïnvloed wordt door de corona-pandemie, proberen christenen deze crisis een plaats te geven in hun leven. Hoe moeten we aankijken tegen wat er gebeurt? Hoe moeten we er mee omgaan?

De maatregelen van de bisschoppen hebben ervoor gezorgd dat we de Communie niet meer kunnen ontvangen en zelfs niet meer de Mis kunnen bijwonen. Sommige gelovigen zeggen dat deze maatregelen getuigen van ongeloof. Want, zo redeneren ze, als je als gelovige katholiek de heilige Hostie ontvangt, zal Jezus ervoor zorgen dat je niet besmet wordt. Hij laat je toch niet besmetten door het Sacrament waarin Hij zichzelf schenkt? Jezus kan en zal een wonder doen, als wij in Hem geloven, zo menen zij.

Maar wat leren we uit het Evangelie van vandaag? In de eerste plaats dat Jezus inderdaad wonderen kan doen. Een menigte van duizenden mensen voeden door van vijf broden en twee vissen voldoende voedsel te maken voor iedereen, is een groot wonder.
Maar we zien nog iets wat belangrijk is. Wanneer de mensen inderdaad geloven in de wonderkracht van Jezus, en zij Jezus’ wonderkracht willen inzetten naar hun eigen inzicht, trekt Jezus zich terug. Hij wil geen handig middel worden voor de behoeftes van mensen. Zijn wonderkracht staat alleen Hem tot beschikking en niet ons.

Zeker, Jezus zegt steeds weer tot mensen die Hij geneest: ‘Uw geloof heeft u gered.’ Maar het is aan Hem om de wonderen te verrichten. Hij is geen instrument dat wij kunnen gebruiken voor onze wensen.
Wij mogen de Heer bidden om voor ons wonderen te doen. Maar het doel van ons geloof is Jezus zelf, niet zijn wonderen. Als het doel van ons geloof het verkrijgen van wonderen is, dan hebben we van Jezus een middel gemaakt. Een middel voor wat wij willen. En dat laat Hij niet gebeuren. Dan trekt Hij zich terug. Jezus verricht geen wonderen op commando.

Onze Vader die in de hemel zijt. Uw Naam worde geheiligd, uw Rijk kome, uw Wil geschiede op aarde zoals in de hemel. En niet de onze.


Donderdag in de 2e week van Pasen – 23 april

Uit de Handelingen der apostelen

In die dagen namen de dienaren van de bevelhebber de apostelen mee en brachten hen voor het Sanhedrin. De hogepriester begon hen te ondervragen: ‘Hebben wij u niet uitdrukkelijk verboden onderricht te geven in die Naam? Door uw toedoen is heel Jeruzalem vol van uw leer. Bovendien wilt gij ons het bloed van die man aanrekenen.’ Maar Petrus en de andere apostelen gaven ten antwoord: ‘Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. De God van onze vaderen heeft Jezus ten leven gewekt, aan wie gij u vergrepen hebt door Hem aan het kruis te slaan. Hem heeft God als Leidsman en Verlosser verheven aan zijn rechterhand om aan Israël bekering en kwijtschelding van zonden te schenken. Van dit alles zijn wij getuigen, maar ook de heilige Geest, die God geschonken heeft aan wie Hem gehoorzamen.’ Toen zij dit hoorden, ontstaken zij in woede en besloten hen te doden.

Lezingen van de dag

De verhouding tussen de Joodse leiders en de apostelen wordt steeds grimmiger. En opnieuw blijken Petrus en de andere apostelen standvastig en moedig te zijn. Ze worden gevangen genomen, bevrijd en opnieuw gevangen genomen. Maar niet langer verbergen ze zich achter gesloten deuren. Ze blijven vrijmoedig spreken over de Verrezen Heer tot in het centrum van hun geloof, tot in de tempel aan toe.
Ook al was hun nadrukkelijk verboden om in Jezus’ naam onderricht te geven, ze zwijgen niet meer. En hun spreken is zo overtuigend dat heel Jeruzalem vol is van hun leer.

Het verwijt dat Jezus eens aan Petrus maakte: “Gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil”, doet geen opgeld meer. Zoals Petrus nu zelf zegt: “Men moet God meer gehoorzamen dan mensen”.

En als de hogepriester het verwijt maakt dat de apostelen hun de schuld geven van het bloed van ‘die man’, dan vergoelijkt Petrus het niet. Hij zegt gewoon dat ze inderdaad schuldig zijn aan Jezus’ dood.

Maar hij stopt niet bij de constatering van schuld. God heeft Jezus als Leidsman en Verlosser verheven aan zijn rechterhand om aan Israël bekering en kwijtschelding van zonden te schenken. Aan Israël, dus met inbegrip van die schuldige leiders. Ook aan hen wil de Heer na Pasen vergeving schenken. Maar hun hart is zo verhard, dat ze die blijde boodschap niet willen of kunnen horen.

Wat vreselijk als wij voor elkaar en voor God de deur dichtsmijten vanuit ons eigen ‘gelijk’.
Wat geweldig dat God telkens wegen zoekt om ons te redden.


Woensdag in de tweede week van Pasen – 22 april

Uit de Handelingen der apostelen

In die dagen werden de hogepriester en heel zijn aanhang, die de partij der Sadduceeën vormden, met hevige afgunst vervuld. Zij grepen de apostelen en zetten hen in de stadsgevangenis. Maar in de nacht ontsloot een engel des Heren de deuren van de gevangenis, leidde hen naar buiten en zei: ‘Gaat, treedt weer op in de tempel en predikt aan het volk al deze woorden des Levens.’ Zij gaven hieraan gehoor, gingen tegen de morgen naar de tempel en gaven er onderricht.
Toen nu de hogepriester kwam met de zijnen, riepen zij het Sanhedrin, de raad der oudsten van het volk van Israël bijeen en stuurden dienaren naar de gevangenis om hen te halen. Maar bij aankomst vonden de dienaren hen niet meer in de kerker. Zij keerden terug met het bericht: ‘Wij vonden de gevangenis stevig op slot en de wachten voor de deuren op hun post, maar toen wij opendeden troffen wij niemand aan.’
Toen zij dit vernamen, werden de tempelcommandant en de hogepriesters ongerust en vroegen zich af wat voor gevolgen dit zou kunnen hebben. Maar iemand kwam hun melden: ‘De mannen die gij in de kerker hebt gezet, bevinden zich in de tempel en onder­richten het volk.’ Daarop ging de bevelhebber met zijn dienaren hen halen, maar zonder geweld te gebruiken, uit angst door het volk gestenigd te worden.

Lezingen van de dag

Wie in Rome is, kan daar de Mamertijnse gevangenis bezoeken, de staatsgevangenis van het oude Romeinse Rijk. In deze gevangenis hebben Petrus en Paulus vastgezeten. Nee, uit deze gevangenis zijn ze niet door een engel gered. Vanuit deze gevangenis zijn ze geboeid weggevoerd. Petrus is vervolgens omgekeerd gekruisigd op de Vaticaanse heuvel en Paulus is met een zwaard onthoofd.

Het is goed om dat te bedenken wanneer we de eerste lezing van vandaag horen. Daarin worden de apostelen door een engel bevrijd uit de gevangenis. We zouden door zo’n verhaal kunnen gaan denken dat God goede christenen uit alle gevaren zal redden. Maar de Mamertijnse gevangenis herinnert ons er aan dat zelfs de apostelen, die nauw met Jezus bevriend waren en hun leven voor het Evangelie inzetten, uiteindelijk niet voor alle moeilijkheden, tranen en pijn, en zelfs de dood werden behoed.

God begeleidt ons door het leven. Soms merken we dat doordat Hij ons redt uit moeilijkheden. Soms merken we dat doordat Hij ons kracht geeft om vol te houden. Soms merken we Gods liefdevolle zorg door troost die we ontvangen. En soms merken we even helemaal niets van God. Ook dat kan gebeuren. We kunnen dan met Christus verzuchten: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Ge mij verlaten?’ Zelfs op die godverlaten momenten is Jezus ons dus nabij.

Het is Pasen. Jezus is uit de dood opgestaan. Hij heeft lijden, eenzaamheid en verdriet opgenomen in zijn gang door de dood heen, naar het eeuwig leven. En als verrezen Heer is Hij ons heel ons leven nabij. Ook in onze pijn, ook op onze momenten van eenzaamheid en ook bij onze tranen.

Blijf daarom dicht bij Jezus. Hij begeleidt ons en neemt ons mee in zijn opstanding. Juist in deze moeilijke paastijd blijft Hij voor ons de grootste bron van vreugde, troost en hoop.


Dinsdag in de 2e week van Pasen – 21 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus tot Nikodemus: ‘Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: gij moet opnieuw geboren worden. De wind blaast waarheen hij wil; gij hoort wel zijn gesuis, maar weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is het met ieder die geboren is uit de Geest.’
Nikodemus gaf Hem ten antwoord: ‘Hoe kan dat geschieden?’
Daarop zei Jezus weer: ‘Gij zijt een leraar van Israël en weet dat niet eens? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij spreken over wat Wij weten en Wij getuigen van wat Wij gezien hebben, maar onze getuigenis aanvaardt gij niet. Wanneer ge zelfs niet gelooft als Ik u spreek over aardse dingen, hoe zult gij dan geloven, als Ik spreek over hemelse dingen? Nooit is er iemand naar de hemel geklommen, tenzij Hij die uit de hemel is neergedaald, de Zoon des Mensen. En deze Mensenzoon moet omhoog worden geheven, zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn, opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben.

Lezingen van de dag

Het gesprek tussen Jezus en Nikodemus of liever het antwoord van de Heer lijkt nogal rhetorisch: een wedervraag die het geven van een antwoord omzeilt. Toch is het zo niet. De Heer gebruikt geen handige gesprekstechniek, Hij raakt aan de kern. Dat laat de slang bij Mozes zien.

In het boek Numeri (21:5-9) wordt verteld over de Israëlieten die aan het morren slaan tijdens de uittocht. Als straf zendt God giftige slangen. Maar op voorspraak van Mozes worden ze gered. God laat hem een koperen slang maken en op een staak zetten: alwie daarnaar opkijkt, wordt genezen. Zo zegt Jezus, zal wie in geloof opkijkt naar de Mensenzoon wanneer Hij wordt omhooggeheven, eeuwig leven vinden.
Niet echt een duidelijk antwoord op hoe dat kan geschieden…

Desondanks blijft Nikodemus op Jezus betrokken. Zo komt hij op Goede Vrijdag om diens dode lichaam te balsemen. Omdat onder het kruis het pas goed duidelijk wordt dat de Heer over zijn dood had gesproken. Zijn reactie met Mozes’ slang was wel degelijk een antwoord. Jezus legt getuigenis af van Gods verlangen om zijn volk te redden zoals eens in de woestijn. Hoe dat kan, Nicodemus? Omdat God wil redden. Dat is de kern van de zaak.

In deze paastijd worstelen velen van ons onherroepelijk met vragen naar zin en onzin van lijden en verdriet, zo schrijnend om ons heen. Ons geloof zegt dat Jezus Christus hierin met ons mee lijdt. Zoals wij sterven, is Hij op het kruis gestorven. Maar dwars door het lijden heen brengt de Heer op wonderbare wijze redding. Dat is onze hoop. Op het kruis heeft de Heer onze dood gekruisigd opdat wij in Hem eeuwig leven zouden hebben.


Maandag in de 2e week van Pasen – 20 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Er was onder de Farizeeën iemand die Nikodemus heette. Hij behoorde tot de voornaamsten van de Joden. Eens kwam deze in de nacht bij Hem en zei: ‘Rabbi, wij weten dat Gij van Godswege als leraar gekomen zijt, want niemand kan die tekenen doen die Gij verricht, als God niet met hem is.’ Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand niet wedergebo­ren wordt kan hij het Rijk Gods niet zien.’ Nikodemus zei tot Hem: ‘Hoe kan een mens geboren worden als hij al oud is? Kan hij soms in de schoot van zijn moeder terugke­ren en opnieuw geboren worden?’ Jezus antwoordde: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg U; als iemand niet geboren wordt uit water en geest, kan hij het Rijk Gods niet binnengaan. Wat geboren is uit het vlees is vlees, en wat geboren is uit de Geest is geest. Verwonder u niet dat Ik u zei: gij moet opnieuw geboren worden. De wind blaast waarheen hij wil; gij hoort wel zijn gesuis, maar weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is het met ieder die geboren is uit de Geest.’

Lezingen van de dag

Nicodemus gelooft dat Jezus een door God gezonden leraar is: ‘Rabbi, wij weten dat Gij van Godswege als leraar gekomen zijt.’ Hij ziet in dat God met Jezus is: ‘Niemand kan die tekenen doen die Gij verricht, als God niet met hem is.’
De reactie van Jezus is opmerkelijk. Hij gaat niet verder in op de vraag wie Hij zelf is. Nee, Hij wijst er op hoe Nicodemus het Rijk Gods moet binnengaan: ‘Als iemand niet wedergeboren wordt kan hij het Rijk Gods niet zien.’ En even later: ‘Verwonder u niet dat Ik u zei: gij moet opnieuw geboren worden.’

Om het Rijk Gods binnen te gaan, om het nieuwe verbond met God aan te gaan, moet de mens opnieuw geboren worden. Hij moet een nieuwe mens worden. Niet lichamelijk natuurlijk, want dat kan niet, zoals Nicodemus terecht opmerkt. Maar geestelijk moet de mens helemaal nieuw worden. En dat doen wij niet op eigen kracht, maar door Gods Geest. Zoals Jezus zegt: ‘Als iemand niet geboren wordt uit water en geest, kan hij het Rijk Gods niet binnengaan.’

Bij het sacrament van het Doopsel is er water over ons uitgegoten. Dat is een lichamelijk gebeuren. Maar bij het Doopsel vindt een verandering plaats op een dieper niveau, namelijk op het niveau van de ziel: de mens wordt kind van God. God neemt de dopeling aan als zijn eigen Zoon. Want de dopeling wordt ingelijfd bij Christus.
Daarom schrijft Johannes in de proloog van zijn Evangelie: Aan allen echter die Hem (Jezus) wel aanvaardden, aan hen die in zijn Naam geloven, gaf Hij het vermogen kinderen van God te worden; Zij zijn niet uit bloed, noch uit begeerte van het vlees of de wil van een man, maar uit God geboren. (Johannes 1,12-13)

Als christenen mogen wij delen in de opstanding van Jezus. Dat doen we niet pas na onze dood. We delen al in de verrijzenis van Christus bij de doop. Toen wij gedoopt werden, werden wij broeder of zuster van Jezus. We werden lidmaat van het Lichaam van Christus, de Kerk. En als leden van het Lichaam van Christus mogen we delen in het leven van de Heer. Leven tot over de dood heen.

Laten wij daarom dicht bij Jezus blijven. Door tot Hem te bidden, door te luisteren naar zijn woorden en door te leven naar zijn geboden. En laten wij bidden dat we spoedig weer kunnen deelnemen aan de Eucharistie en het Lichaam van Christus zo weer op die bijzondere wijze ontvangen. Wat is dat toch een genade. Misschien beseffen we dat nu des te meer!


Tweede zondag van Pasen – 19 april

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Op de avond van de eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: „Vrede zij u.” Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen. Nogmaals zei Jezus tot hen: „Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft zo zend Ik u.” Na deze woorden blies Hij over hen en zei: „Ontvangt de heilige Geest. Als gij iemand zonden vergeeft, dan zijn ze vergeven, en als gij ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.”
Thomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd, was echter niet bij hen toen Jezus kwam. De andere leerlingen vertelden hem: „Wij hebben de Heer gezien.” Maar hij antwoordde: „Zolang ik in zijn handen niet het teken van de nagelen zie, en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken, en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik zeker niet geloven.”
Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen, en nu was Thomas er bij. Hoewel de deuren gesloten waren kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: „Vrede zij u.” . Vervolgens zei Hij tot Thomas: „Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde en wees niet langer ongelovig maar gelovig.” Toen riep Thomas uit: „Mijn Heer en mijn God !” Toen zei Jezus tot hem: „Omdat ge Mij gezien hebt gelooft ge? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.”
In het bijzijn van zijn leerlingen heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan die niet in dit boek zijn opgetekend, maar deze hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt in zijn Naam.

Lezingen van de dag

Paus Johannes Paulus II heeft in 2000 deze zondag opgedragen aan de Goddelijke Barmhartigheid. Het eerste woord dat de Heer tot de leerlingen spreekt, getuigt daarvan: “Vrede zij u”. Iemand de vrede wensen is de normale Joodse begroeting: sjaloom. Jezus herhaalt het na zijn wonden te hebben getoond. En die herhaling laat zien dat zijn groet veel meer is dan louter een plichtpleging.

Bedenk wie het zijn die de Heer begroet. Het zijn de leerlingen die de een na de ander Hem in de steek hadden gelaten, die niet voor Hem waren opgekomen of die Hem zelfs hadden verloochend. Deze trouweloze angsthazen die ook nu de deuren op slot hebben gedaan, wordt door de Heer vrede gewenst. Zij worden niet terechtgewezen, niet de mantel uitgeveegd. Integendeel hun wordt barmhartigheid bewezen.

Direct hierna blaast de Heer over hen en ontvangen zij de Heilige Geest met de opdracht: “Als gij iemand zonden vergeeft, dan zijn ze vergeven, en als gij ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.” Hier ligt het begin van het sacrament van boete en verzoening, de biecht. Zij die vergeven zijn, worden beheerders van Gods vergeving.

Geen wonder dat de apostel Thomas dit niet zo maar kan geloven. Niet uit een verlangen naar objectief wetenschappelijk bewijs. Maar: hoe zou de Heer zó mild kunnen reageren op mensen die Hem ontrouw waren? Dat is onbegrijpelijk voor Thomas die zelf ook was weggevlucht op Goede Vrijdag. Daarom heeft hij hard bewijs nodig: de gaten in de handen en de zijde van de Gekruisigde.

De Verrezen Heer komt hem tegemoet in zijn verlangen. Opnieuw dwars door de gesloten deuren heen toont Hij Thomas waar die om vroeg: ‘Kom maar hier met je vinger…’

Zo groot is de barmhartigheid van God. Hij kent ons verleden, maar rekent ons er niet op af. Hij gunt ons zijn toekomst. Daaruit mogen wij hoop putten en leven! Ook al zien we het niet, ook al kunnen we Gods beloften haast niet geloven. Hij kijkt verder dan wij, mensen, kijken. God kijkt naar ons met geduld en mateloze liefde. En Hij nodigt ons uit om hetzelfde te doen.


Zaterdag onder het paasoctaaf – 18 april

Uit de Handelingen der apostelen

In die dagen stonden de hogepriesters, de oudsten van het volk en de schriftgeleerden verbaasd toen zij de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen. Omdat zij bovendien de genezen man bij hen zagen staan, wisten zij er niets tegen in te brengen. Nadat zij hun gelast hadden het Sanhedrin te verlaten, pleegden zij met elkaar overleg en zeiden: ‘Wat moeten wij met die mensen doen? Het is duidelijk voor alle inwoners van Jeruzalem dat een onmiskenbaar wonderteken door hen is verricht. We kunnen dat niet loochenen. Maar om te verhinderen dat het gerucht daarvan nog verder onder het volk verbreid wordt, zouden we hen met dreigementen moeten verbieden nog ooit met een beroep op die Naam tot enig mens te spreken.’ Toen riepen zij hen binnen en verboden hun nog ooit iets te zeggen of te leren met een beroep op Jezus’ Naam.Petrus en Johannes gaven hun echter ten antwoord: ‘Oordeelt zelf, of het voor God te rechtvaardigen zou zijn als wij meer naar u luisterden dan naar God. Het is voor ons onmogelijk niet te spreken over hetgeen wij gezien en gehoord hebben.’Na hen nogmaals gedreigd te hebben, stelden zij hen in vrijheid, omdat ze, met het oog op het volk, niet wisten hoe ze hen moesten straffen, want allen verheerlijkten God om hetgeen er gebeurd was.

Lezingen van de dag

De leiders van het Joodse volk willen de apostelen het zwijgen opleggen. Ze willen niet dat Jezus als de Messias verkondigd wordt, want zelf geloven ze niet in Jezus. Maar in hun reactie laten de apostelen weten dat ze de Heer zullen blijven verkondigen. Petrus en Johannes gaven hun ten antwoord: ‘Oordeelt zelf, of het voor God te rechtvaardigen zou zijn als wij meer naar u luisterden dan naar God. Het is voor ons onmogelijk niet te spreken over hetgeen wij gezien en gehoord hebben.’

De apostelen begrijpen dat het God zelf is die wil dat Jezus verkondigd wordt. God wil dat alle mensen zijn Zoon leren kennen en in Hem gaan geloven. En daarom ook horen we vandaag de Heer zelf in het Evangelie tot zijn leerlingen zeggen: ‘Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping.’

Ook in deze zorgelijke tijd is het Evangelie van levensbelang. Omdat wij door Jezus bij God zelf uitkomen. Omdat Hij ons leert wie God is, en ons leert hoe wij als Gods kinderen moeten leven.

Wij kunnen in deze periode van het beteugelen van het coronavirus niet samenkomen om ons geloof te vieren. Dat is heel droevig. Juist de paastijd is zo vreugdevol. Alles groeit en bloeit en herinnert ons aan God levenskracht die Hij de wereld schenkt. En Pasen leert ons dat die levenskracht van God zelfs door de dood niet wordt tegengehouden. Het is prachtig om dat samen te vieren. Maar helaas kan dat nu dus niet.

Wat we wel kunnen doen is aan elkaar laten weten dat onze hoop en ons geloof niet door de moeilijkheden worden gebroken. Bemoedig elkaar daarom als parochianen. Bel elkaar op, stuur een kaartje, een e-mailtje, een berichtje of misschien zelfs een bloemetje. Laat elkaar weten dat wij vertrouwen op Gods kracht die alle verdriet en pijn overwint. En laat die kracht de bron zijn van ons dagelijks leven, juist ook nu.

De apostelen bleven het Evangelie uitdragen, tegen alle moeilijkheden en weerstand in. Pater Kolbe bleef het Evangelie uitdragen, zelfs in de moeilijke omstandigheden van Auschwitz. Moeder Theresa bleef het Evangelie uitdragen, ook te midden van de armoede van Calcutta. Laten wij hen navolgen, en de liefde van God, die we hebben mogen leren kennen in Christus, uitdragen, ook in deze tijd.


Vrijdag onder het paasoctaaf – 17 april

Uit de Handelingen der apostelen

In die dagen, toen Petrus en Johannes na de genezing van de lamme nog tot het volk spraken, kwamen de priesters, de bevelhebber van de tempel en de Sadduceeën op hen af. Verontwaardigd dat zij het volk onderricht gaven en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden, legden ze de hand op hen en namen hen in verzekerde bewaring tot de volgende dag, omdat het al avond was. Velen echter van hen die de toespraak gehoord hadden, namen het geloof aan en het aantal mannen steeg tot ongeveer vijfduizend.
De volgende dag kwamen hun overheden, oudsten en schriftgeleerden in Jeruzalem bijeen, tezamen met de hogepriester Annas en met Kajafas, Johannes, Alexander en allen die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden. Zij lieten hen voorleiden en vroegen: ‘Door welke kracht of in welke naam hebt ge dat gedaan?’ Toen sprak Petrus, vervuld van de heilige Geest, tot hen: ‘Overheden van het volk en oudsten! Indien wij vandaag ter verantwoording geroepen worden voor een weldaad aan een gebrekkige bewezen, waardoor deze genezen is, dan moet gij allen en het gehele volk van Israël weten, dat door de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër, die gij gekruisigd hebt maar die God uit de doden heeft doen opstaan: dat door die Naam deze man hier gezond voor u staat. Hij is de steen die door u, de bouwlieden, niets waard werd geacht en toch tot hoeksteen geworden is. Bij niemand anders is dan ook de redding te vinden en geen andere Naam onder de hemel is aan de mensen gegeven waarin wij gered moeten worden.’

Lezingen van de dag

Is u iets opgevallen aan de apostel Petrus? Hij neemt hier het woord en spreekt vrijmoedig. Het is een enorm verschil met zijn gedrag van vóór Pasen.

Toen beloofde hij zijn leven over te hebben voor Jezus, want niets mocht Hem overkomen. Maar als het erop aankomt, laat Petrus de Heer in de steek met de woorden “Ik ken die man niet…” Hij is bang voor zijn eigen hachje. Angst bepaalt hem. Daarom zitten de leerlingen op de avond van Pasen achter gesloten deuren. Ze zijn bang voor wat de toekomst zal brengen.

Vandaag zien we een heel andere Petrus. Hij is gevangen genomen en wordt ter verantwoording geroepen door dezelfde overheden als die Jezus hadden laten kruisigen. Maar nu is hij voorbij aan de angst. Moedig, vervuld van de heilige Geest, wijst hij op de schuld van de overheden en getuigt van Christus: in zijn Naam moeten wij gered worden…

Petrus is als herboren, hij leeft vanuit het Pasen van de Heer en wordt bezield door diens Geest. Hij vertrouwt niet langer op menselijk inzicht of op eigen kracht. Evenals de andere leerlingen die ook gevlucht waren op Goede Vrijdag, weet nu hij zeker dat werkelijke redding alleen maar bij Jezus Christus te vinden is.

Het is natuurlijk niet zo dat vrees of angst een overdreven reactie is op wat er in ons leven of in de wereld gebeurt. Sommige bedreigingen zijn helaas heel reëel. Ook Petrus heeft dat ondervonden, want uiteindelijk wordt hij gemarteld en vermoord. Christenen zoeken de dood niet op. Maar wie durft vertrouwen op Christus, gelooft dat – hoe akelig ook – het lijden en de dood niet het laatste woord hebben. Ook al moeten wij sterven, Christus heeft het laatste woord en Hij geeft deel aan zijn eeuwig leven.

Moge het vertrouwen van Petrus ons allen bemoedigen.


Donderdag onder het paasoctaaf – 16 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd vertelden de leerlingen wat er onderweg gebeurd was en hoe Jezus door hen herkend werd aan het breken van het brood. Terwijl ze daarover spraken, stond Hijzelf plotseling in hun midden en zei: ‘Vrede zij u.’ In hun verbijstering en schrik meenden ze een geest te zien.
Maar Hij sprak tot hen: ‘Waarom zijt ge ontsteld en waarom komt er twijfel op in uw hart? Kijkt naar mijn handen en voeten: Ik ben het zelf. Betast Mij en kijkt: een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals ge ziet dat Ik heb.’ En na zo gesproken te hebben toonde Hij hun zijn handen en voeten.
Toen ze het van vreugde en verbazing niet konden geloven, zei Hij tot hen: ‘Hebt ge hier iets te eten?’ Zij reikten Hem een stuk gerooster­de vis aan; Hij nam het en at het voor hun ogen op.
Hij sprak tot hen: ‘Dit zijn mijn woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was: Alles wat over Mij geschreven staat in de Wet van Mozes, in de profeten en psalmen moet vervuld worden.’ Toen maakte Hij hun geest toegankelijk voor het begrijpen van de Schriften. Hij zei hun: ‘Zo spreken de Schriften over het lijden en sterven van de Messias en over zijn verrijzenis uit de doden op de derde dag, over de verkondiging onder alle volkeren, van de bekering en de vergiffenis van de zonden in zijn Naam. Te beginnen met Jeruzalem moet gij van dit alles getuigen.’

Lezingen van de dag

Als je de verslagen hoort over de ontmoetingen van de leerlingen met de verrezen Heer, kun je er duidelijk hun verwarring en onbegrip in horen klinken. Ze hebben geen benul van wat er nu eigenlijk gebeurd is.
Eerst vertellen de vrouwen die ‘s ochtends vroeg het graf bezocht hebben dat de Heer verschenen is en dat Hij is opgestaan. Dan zien ze zelf dat het graf leeg is. Dan ontmoeten twee van hen op weg naar Emmaüs de verrezen Christus. En als zij helemaal vol van die ontmoeting terugkeren naar de andere leerlingen in Jeruzalem vertellen die hun dat Jezus ook al aan Petrus is verschenen.

En dan gebeurt wat we in het Evangelie van vandaag horen. Jezus verschijnt aan de verzamelde leerlingen. Ze schrikken en zijn verbijsterd. Nog steeds snappen ze er niets van. Hoe is dit mogelijk? Zien ze de geest van de dode Jezus?
Hun verwarring en onbegrip is begrijpelijk. Want wat er met Jezus gebeurd is, is volkomen nieuw. De verrezen Christus past niet in de gewone wereld, de schepping zoals die ons allen bekend is, met haar natuurwetten en logica van oorzaak en gevolg. Zie maar: Jezus staat plots in hun midden, zonder door een deur of raam naar binnen te komen. En toch heeft Hij een fysiek lichaam dat kan eten en drinken en dat je kunt aanraken. Dat is in onze gewone wereld onmogelijk.

God heeft met de verrijzenis van Jezus iets volkomen nieuws gedaan. En daarom noemen de kerkvaders de Paasdag ook wel de achtste scheppingsdag. Jezus is de Eerste van de nieuwe schepping, die de voltooiing zal zijn van onze gewone wereld.

Petrus zegt in de eerste lezing tot zijn tijdgenoten: ‘Bekeert u en hebt berouw, opdat uw zonden worden uitgewist, en er van de Heer uit tijden van verkwikking mogen komen en Hij u Jezus zende, die voor u als Messias was voorbestemd.’
Jezus is de Messias, de Redder. Hij, de Eerste van de nieuwe schepping, de opgestane Heer, is Gods uitgestoken hand naar ons allemaal. Omdat God ons allemaal deelgenoten wil maken van die nieuwe schepping. Hij wil ook ons doen verrijzen tot een nieuw leven, het eeuwig leven met zijn Zoon.

De opstanding van Christus kunnen wij niet begrijpen, omdat wat er gebeurd is buiten onze denkkaders valt. Maar wat de opstanding van Christus voor ons betekent, kunnen we wel begrijpen: hoop tegen alle wanhoop in, leven ondanks de dood, en eeuwig geluk na alle verdriet. Met die hoop mogen wij – ook in deze moeizame en verdrietige tijd – Pasen vieren.


Woensdag onder het paasoctaaf – 15 april

Uit de Handelingen der apostelen

In die dagen gingen Petrus en Johannes eens naar de tempel op het uur van gebed, het negende uur. Daar was een man die vanaf zijn geboorte lam was en iedere dag naar de tempelpoort gedragen werd, die de Schone genoemd wordt, om daar aalmoezen te vragen aan de mensen die de tempel binnengingen. Toen hij Petrus en Johannes zag, die juist de tempel wilden binnengaan, vroeg hij om een aalmoes. Petrus, evenals Johannes, zag hem strak aan en zei: ‘Kijk ons eens aan.’ Hij richtte zijn blik op hen in de verwachting iets van hen te krijgen. Doch Petrus sprak: ‘Zilver of goud heb ik niet; maar wat ik heb geef ik u. In de naam van Jezus Christus de Nazoreeër: gebruik uw voeten!’ Hij pakte hem bij zijn rechterhand en hielp hem overeind. Op hetzelfde ogenblik kwam er kracht in zijn voeten en enkels, met een sprong stond hij overeind, begon te lopen en ging lopend en springend met hen de tempel binnen, terwijl hij God verheerlijkte. Heel het volk zag dat hij liep en God verheerlijkte. Zij herkenden hem als de man die altijd bij de Schone Poort van de tempel zat te bedelen,en waren buiten zichzelf van verbazing over hetgeen met hem gebeurd was.

Lezingen van de dag

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Een gehandicapte man wordt bij de hand gevat, de leerlingen van Jezus helpen hem opstaan. Het is een opstandingsverhaal. Niet omdat de man weer kan lopen, maar omdat Petrus en Johannes handelen in de naam van Jezus Christus die is opgestaan. Zijn kracht werkt door de leerlingen heen.

Het is de kracht die Christus aan hen schenkt. Hij heeft zijn Geest gegeven op het kruis en uitgeblazen over de apostelen op Pasen. Die geestkracht stelt hen in staat om te vergeven, om wonderen te doen, om te prediken, om op slangen of schorpioenen te staan. Niet uit eigen kracht, maar verbonden met de Heer en door Hem bezield.

Dat beseffen Petrus en Johannes terdege. Zij weten wat ze niet kunnen geven, geen zilver of goud voor aalmoezen. Maar ze weten ook wat wel kan. En dienovereenkomstig handelen ze: in de naam van Jezus…

In deze tijd merken we wat we niet kunnen. We zouden van alles willen doen of geven, maar we ervaren meer dan ooit onze begrensdheid, van wat niet kan of niet mag. Een gevoel van onmacht kan dan gaan overheersen en dat gevoel kan ons verlammen.

Maar de kracht die Christus aan de apostelen heeft geschonken, heeft Hij gegeven aan zijn Kerk. Zij is werkzaam in ons kerkzijn: in de sacramenten, in de verkondiging, in daden van naastenliefde. De Geest van Christus bezielt al wat de Kerk doet in zijn Naam. Dat geldt dus ook voor u.

Laten wij voor elkaar bidden dat wij handelen uit de kracht van Pasen. Dat ieder van ons bij zichzelf nagaat welke kracht en dus welke mogelijkheden de Heer ons geeft om nu te leven en te handelen als zijn leerlingen.

Zilver of goud heb ik niet, maar wat ik heb dat zal ik geven.

(Klik hier voor een prachtige toonzetting van Petrus’ woorden: “Argentum et aurum non est mihi, quod autem habeo hoc tibi do“)


Dinsdag onder het paasoctaaf – 14 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd Maria stond buiten bij het graf te schreien. En al schreiend boog zij zich naar het graf toe en zag op de plaats waar Jezus’ lichaam gelegen had, twee in het wit geklede engelen zitten, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde. Zij spraken haar aan: ‘Vrouwe, waarom schreit ge?’ Zij antwoordde: ‘Zij hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet waar zij Hem hebben neergelegd.’
Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zonder te weten dat het Jezus was. Jezus zei tot haar: ‘Vrouw, waarom schreit ge? Wie zoekt ge?’ In de mening dat het de tuinman was, vroeg zij: ‘Heer, mocht gij Hem hebben weggenomen, zeg mij dan waar ge Hem hebt neergelegd, zodat ik Hem kan weghalen.’ Daarop zei Jezus tot haar: ‘Maria!’ Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws: ‘Rabboeni!’ – wat leraar betekent.
Toen sprak Jezus: ‘Houd mij niet vast, want Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader, maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God.’
Maria Magdalena ging aan de leerlingen berichten dat zij de Heer gezien had, en wat Hij haar gezegd had.

Lezingen van de dag

Jezus is zojuist uit de dood verrezen. En Hij vraagt Maria Magdalena om aan zijn leerlingen te zeggen: ‘Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God.’ Hij had kunnen zeggen: onze Vader, en onze God. Maar Jezus legt er de nadruk op dat zijn hemelse Vader nu ook de Vader van de leerlingen is en dat zijn God nu ook de God van zijn leerlingen is: ‘mijn Vader en uw Vader, mijn God en uw God.’

Doordat Jezus zijn leven als offer heeft gebracht en uit de dood is opgestaan, heeft Hij voor alle mensen de weg naar God geopend. Uit onszelf verwijderen wij ons van God door onze zonden, maar nu kunnen we vrij tot God naderen dankzij Jezus. Zijn Vader is ook onze Vader geworden.

De verrijzenis van Jezus zorgt ervoor dat wij niet alleen na onze dood bij God kunnen komen, maar ook voor onze dood. Nu al mogen wij God ‘Vader’ weten. Daarom eindigt ieder gebed in de liturgie waarin wij ons tot God richten met de woorden ‘door Christus onze Heer’ of met woorden van gelijke strekking. Omdat wij weten dat we dankzij de verrezen Heer kinderen van God zijn.

Onze band met God is geen band die zomaar kan verflauwen of zelfs verbroken kan worden. Nee, onze band met God is een verbond. Zoals in iedere Mis gezegd wordt: ‘Neemt en eet hiervan gij allen, want dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt; neemt deze beker en drinkt hier allen uit, want dit is de beker van het nieuwe, altijddurende Verbond, dit is mijn Bloed dat voor u en alle mensen wordt vergoten tot vergeving van de zonden.’

Wij leven in een altijddurend verbond met God. Daarom kunnen we ons veilig weten in zijn handen, de handen van een liefdevolle Vader. Mogen wij allen die liefde ook werkelijk in ons hart ervaren.


2e Paasdag, maandag 13 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd gingen de vrouwen terstond weg van het graf, met vrees en grote vreugde, en haastten zich het nieuws aan zijn leerlingen over te brengen.
En zie, Jezus kwam hen tegemoet en zeide: ‘Weest gegroet.’ Zij traden op Hem toe, omklemde zijn voeten en aanbaden Hem. Toen sprak Jezus tot hen: ‘Weest niet bevreesd. Gaat aan mijn broeders de boodschap brengen dat zij naar Galilea moeten gaan, en daar zullen zij Mij zien.’
Terwijl de vrouwen onder­weg waren, gingen enkelen van de bewakers naar de stad en berichtten aan de hogepriesters alles wat er was voorgeval­len.
Dezen hielden een bijeenkomst met de oudsten en na overleg gaven ze aan de soldaten een flinke som geld, met de opdracht: ‘Zegt maar: Zijn leerlin­gen zijn Hem in de nacht komen stelen terwijl wij sliepen. En mocht dit soms de landvoogd ter ore komen, dan zullen wij hem wel kalmeren en er voor zorgen dat gij geen last krijgt.’ Zij namen het geld aan en deden zoals hun voorgezegd was. Dit verhaal is onder de Joden verder verteld tot op de dag van vandaag.

Lezingen van de dag

Bij het graf waarin Jezus is neergelegd, zijn de vrouwen en de bewakers getuigen van hetzelfde: een engel rolt de steen weg van het graf en zegt dat Jezus is verrezen. Maar hun reactie is volkomen tegengesteld.

De vrouwen gaan weg met vrees en grote vreugde. Dan komen zij de Heer tegen, die zegt dat ze niet bang moeten zijn. Haar vrees moet wijken voor vreugde. Zij worden brengers van de paasboodschap aan de leerlingen.

De bewakers melden het gebeurde aan de hogepriesters. Maar de waarheid moet verzwegen worden. De bewakers worden omgekocht om een leugen te verspreiden: Jezus’ lichaam is gestolen door zijn leerlingen. De leugen regeert om de waarheid te fnuiken.

Wat betekent dit voor ons? We leven in een tijd waarin fake news nauwelijks meer te onderscheiden valt van waarheid. Dit vraagt van ons om kritisch te zijn op wat we horen. Dat nieuws proberen te checken en in elk geval niet gedachteloos te kopiëren en zorgvuldig te zijn met wat en hoe we iets delen met anderen.

Voor ons geloof betekent het volgens mij: te weten wie iets vertelt en of die persoon betrouwbaar is.
Jezus is betrouwbaar omdat wat Hij zegt (op Witte Donderdag) niet bij woorden blijft (tot op het kruis) wat de Vader bekrachtigt (op Pasen).
De vrouwen, de leerlingen van het begin en van heel de vervolgde Kerk zijn betrouwbaar omdat ze bereid waren te sterven niet zozeer voor de boodschap als wel voor Christus die ze niet los wilden laten.

Zijn wij bereid om ons doen en laten, onze keuzes te laten bepalen door Christus in wie wij geloven? En welk nieuws klinkt door in wie wij zijn?


Paaszondag 12 april

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Kolosse

Broeders en zusters,
Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is. U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God. En wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met Hem, in luister verschijnen.

Lezingen van de dag

Op Goede Vrijdag hield pater Cantalamessa tijden de kruisverering een prachtige preek. Hij zei daarin het volgende: “Het kruis van Christus heeft de betekenis van pijn en menselijk lijden veranderd – van elke vorm van lijden, lichamelijk en moreel. Het is niet langer een straf, een vloek. Het lijden werd in de wortel verlost, toen de Zoon van God het op zich nam.
Wat is het zekerste bewijs dat de drank die iemand je aanbiedt, niet vergiftigd is? Wanneer die persoon uit diezelfde beker drinkt voor jij ervan drinkt. Dit is het wat God heeft gedaan: op het kruis dronk Hij, ten overstaan van de gehele wereld, de beker van het lijden leeg tot op de bodem. Dit is hoe Hij ons liet zien dat die beker niet vergiftigd is, maar dat er een parel ligt op de bodem ervan.”

God zelf heeft de beker van het menselijk lijden tot op de bodem leeggedronken, en Hij laat ons zien dat er een parel ligt op de bodem van die beker. Die parel is de verrijzenis, de verheerlijking, het eeuwig leven bij God. En dat mogen wij vandaag vieren.

Het is Pasen. De Heer is waarlijk opgestaan. Pijn, verdriet en dood hebben niet het laatste woord. Net als Jezus delen wij allemaal in menselijk lijden, dat wel. Maar Jezus is er doorheen gegaan naar het eeuwig licht, naar het leven bij de Vader. En Hij nodigt ons uit om ons aan Hem vast te houden en Hem te volgen op die weg, door het lijden heen, naar het eeuwig geluk.
Dat vraagt van ons moed, maar bovenal vertrouwen. Vertrouwen in God die aan de andere kant van de dood klaarstaat om ons op te vangen. Vertrouwen in Christus die ons door het lijden heen voert.

Paulus schrijft: ‘Uw leven ligt met Christus verborgen in God. En wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met Hem, in luister verschijnen.’ Ons leven ligt met Christus verborgen in God. En daar is ons leven veilig, verborgen in de liefdevolle handen van God. En met Christus zullen wij verrijzen. Daarom kunnen wij ook in deze moeilijke tijd vol vreugde zeggen: de Heer is waarlijk opgestaan, alleluia!

Wij, pastoor De Jong en pastoor Meijer, wens u een zalig Pasen.


Paaszaterdag 11 april

Psalm 30 [29]

2. U zal ik loven, Heer, want Gij hebt mij bevrijd, Gij hebt mijn vijanden niet laten zegevieren.
3. Tot U heb ik geroepen, Heer mijn God, en Gij hebt mij genezen.
4. Heer, uit het dodenrijk hebt Gij mijn ziel verlost, Gij hebt mij losgemaakt van die ten grave dalen.
5. Bezingt de Heer dan met mij, al zijn vromen, en dankt zijn Naam die hoogverheven is.
6. Zijn toorn duurt kort, maar zijn genade levenslang, de avond brengt geween, de ochtend blijdschap.
7. Vol zelfvertrouwen sprak ik in mijn hart: ‘Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.’

8. Ach Heer, door uw genade was ik sterk, zodra Gij uw gelaat verborgt, werd ik bevreesd.
9. Toen heb ik weer tot U geroepen, Heer, heb ik mijn God gebeden om ontferming.
10. Wat heeft mijn bloed voor nut, mijn neergang in het graf? Zal soms het stof U prijzen en uw trouw verkonden?
11. Heer, luister en ontferm U over mij, mijn God, sta mij terzijde met uw hulp.

12. Gij hebt mijn rouwklacht in een vreugdedans veranderd, mijn rouwkleed losgemaakt, met blijdschap mij omgord.
13. Mijn ziel zal U bezingen zonder te verstommen, U zal ik loven, Heer mijn God, in eeuwigheid.

(Er zijn geen lezingen van de dag)

Een andere naam voor Paaszaterdag benadrukt de stilte: Stille Zaterdag. De evangelisten zwijgen immers over wat er gebeurt na de graflegging. Het verhaal van Jezus wordt pas hernomen op de vroege ochtend van Paaszondag als de vrouwen naar het graf gaan. In die stilte deelt de Kerk vandaag om haar eerst te verbreken met de jubelzang van het Exsultet in de Paaswake: “Laat juichen heel het hemelkoor van engelen, laat juichen om die grote Koning, juichen om de overwinning. Laat de trompetten klinken in het rond”.

Maar vandaag heerst de stilte van het graf. Alles is verstomd. Goede Vrijdag laat ons achter met de vraag van de psalm: “Zal soms het stof U prijzen en uw trouw verkonden?” In eenzelfde doodse stilte leven wij met onze vragen over het hier en nu.

Als God lijkt te zwijgen, roept de Heer uit aan het kruis: “Waarom hebt Gij Mij verlaten?” Hij die God zijn Vader altijd nabij wist, ervaart Hem niet langer. Toch zijn zijn laatste woorden: “Vader, in uw handen beveel Ik mijn Geest” (Lucas 23:46). Met de dood voor ogen geeft Christus zich in diep vertrouwen over aan de wil van de Vader. Alsof Hij psalm 30:11 blijft bidden: “Heer, luister en ontferm U over mij, mijn God, sta mij terzijde met uw hulp.”

In datzelfde vertrouwen staan wij op Paaszaterdag stil bij zijn dood, in afwachting van Pasen. Want Hij die niet verlaten werd, zal ook ons niet verlaten. Alles heeft Hij volbracht omwille van ons heil. Dat is ons geloof en onze hoop.

 Christus factus est pro nobis zingt de Kerk op Goede Vrijdag:

“Christus is voor ons gehoorzaam geworden tot de dood, tot de dood aan het Kruis.
Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de Naam verleend die boven alle namen is”.

Voor ons!


Goede Vrijdag 10 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Het was de voorberei­dingsdag voor Pasen, ongeveer het zesde uur. Pilatus zei tot de Joden: ‘Hier is uw koning.’ Maar zij schreeuwden: ‘Weg, weg met Hem! Kruisig Hem!’ Pilatus vroeg: ‘Zal ik dan uw koning kruisigen?’ De hogepriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’ Toen leverde hij Hem aan hen uit om de kruisdood te ondergaan, en zij namen Hem over.
Zelf zijn kruis dragend trok Jezus de stad uit naar wat de Schedelplaats heet, in het Hebreeuws Golgota. Daar sloegen zij Hem aan het kruis, en met Hem nog twee anderen, aan elke kant een en Jezus in het midden. Pilatus had ook een opschrift laten maken en op het kruis doen aanbrengen. Het luidde: ‘Jezus, de Nazoreeer, de koning van de Joden.’ Vele Joden lazen dit opschrift, want de plaats waar Jezus gekruisigd werd, lag dicht bij de stad. Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks. De hogepriesters van de Joden nu zeiden tot Pilatus: ‘Ge moest er niet op zetten: ‘de koning van de Joden ‘, maar: ‘Hij heeft gezegd: Ik ben de koning van de Joden.’ Pilatus antwoordde: ‘Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.’
Toen de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen ze zijn kleren en deelden ze in vieren, voor iedere soldaat een deel. Ze namen ook de lijfrok, die echter zonder naad was, een een stuk geweven van bovenaf. Daarom zeiden ze tot elkaar: ‘Laten we die niet scheuren, maar er om loten wie hem krijgt.’ Aldus moest de Schrift vervuld worden: Zij verdeelden mijn kleren onder elkaar en dobbelden om mijn gewaad.
Terwijl de soldaten hiermee bezig waren, stonden bij Jezus’ kruis zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas en Maria Magdalena. Toen Jezus zijn moeder zag en naast haar de leerling die Hij liefhad, zei Hij tot zijn moeder: ‘Vrouw, zie daar uw zoon.’ Vervolgens zei Hij tot de leerling: ‘Zie daar uw moeder.’ En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich in huis.

Hierna, wetend dat nu alles was volbracht, zei Jezus, opdat de Schrift vervuld zou worden: ‘Ik heb dorst.’ Er stond daar een kruik vol zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. Toen Jezus van de zure wijn genomen had, zei Hij: ‘Het is volbracht.’ Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Waar is God? Het is een vraag die we steeds weer kunnen horen als mensen zwaar te lijden hebben. Waar was God in Auschwitz? Waar was God toen een tsunami duizenden mensen deed verdrinken? Waar is God, nu wereldwijd duizenden mensen sterven aan het coronavirus?
Het is een begrijpelijke vraag. Want wij bidden God om gezondheid en geluk en troost, en wij hopen en verwachten van Hem dat Hij ons het goede geeft. Hoe kan het dan, dat ons toch ellende treft? Waar is God in de miserie?

Goede Vrijdag geeft ons een antwoord. En dat antwoord hebben we als katholieke christenen bijna allemaal thuis aan de muur hangen. Het is de gekruisigde Christus. Jezus laat ons zien dat God zelf lijdt in de pijn en in het verdriet van mensen. God zelf ondergaat eenzaamheid en mishandeling. Het is God zelf die in Jezus hangt te sterven aan een kruis.

Als wij pijn en verdriet hebben heeft God ons niet verlaten. Hij is ons ten diepste nabij. Waarom neemt God al die ellende dan niet van ons weg, als Hij zo met ons meevoelt? Uiteindelijk weten we het antwoord op die vraag niet. Wat we wel weten is dat Hij met ons door de ellende en de pijn heen wil gaan, om ons te brengen tot de verrijzenis. In Jezus gaat God ons op die weg voor.

Wanneer wij het zwaar hebben, is God niet ver weg. Hij is ons nabij. Hij lijdt met ons mee. Maar omdat Hij God is, zal het lijden, ook ons lijden, Hem niet overwinnen. God voert ons er doorheen naar de verrijzenis, naar het eeuwig leven, waar alle leed geleden is en alle pijn vergeten. Dat is de hoop en de troost die God ons geeft.

Ga deze Goede Vrijdag thuis voor een kruisbeeld staan, kijk aandachtig, en bedenk dat God daar met ons mee lijdt. Hij is niet ver. Hij is bij ons, ook nu. Juist nu.


Witte Donderdag 9 april

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Het paasfeest was op handen. Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader, en die de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe. Onder de maaltijd, toen de duivel reeds aan Judas Iskariot, de zoon van Simon, het plan had ingegeven om Hem over te leveren, stond Jezus van tafel op. In het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde, legde Hij zijn bovenkleren af, nam een linnen doek en omgorde zich daarmee. Daarop goot Hij water in het wasbekken en begon de voeten van de leerlingen te wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen. Zo kwam Hij bij Simon Petrus die echter tot Hem zei: „Heer, wilt Gij mij de voeten wassen?” Jezus gaf hem ten antwoord: „Wat Ik doe begrijpt ge nu nog niet maar later zult gij het inzien.” Toen zei Petrus tot Hem: „Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen !” Jezus antwoordde Hem: „Als gij u niet door Mij Iaat wassen, kunt gij mijn deelgenoot niet zijn.” Daarop zei Simon Petrus tot Hem: „Heer, dan niet alleen mijn voeten maar ook mijn handen en hoofd.” Maar Jezus antwoordde: „Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen tenzij de voeten, hij is immers helemaal rein. „Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen.” Hij wist immers wie Hem zou overleveren. Daarom zei Hij: „Niet allen zijt gij rein. Toen Hij dan hun voeten had gewassen, zijn bovenkleren had aangetrokken en weer aan tafel was gegaan sprak Hij tot hen: „Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb? Gij spreekt Mij aan als Leraar en Heer, en dat doet gij terecht, want dat ben Ik. Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een voorbeeld gegeven opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb.”

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Op Witte Donderdag viert de Kerk de instelling van de Eucharistie en in het kielzog daarvan de instelling van het Priesterschap en het gebod van de Naastenliefde. Het gaat dit jaar helaas totaal anders dan we zouden verwachten of dan we gewend zijn.

Misschien past dat eigenlijk wel goed bij Witte Donderdag. In het Evangelie horen we hoe voor Petrus alles wat Jezus doet anders is dan hij verwacht. Dat is al begonnen met de keren dat de Heer sprak over zijn aanstaande dood. En nu wil zijn Meester de voeten wassen van zijn leerlingen. Dat past niet in Petrus’ wereldbeeld. En met grote stelligheid wijst hij dat af: niet van mijn levensdagen, “nooit in der eeuwigheid” zal zoiets gebeuren.

Toch gelooft Petrus en hij wil Jezus volgen. Zoals hij eerder zei: “Naar wie zouden wij anders gaan?” Want Petrus weet dat de Heer woorden van eeuwig leven heeft. Alleen gelooft hij met een maar : het moet op zijn voorwaarden. Hij wil geloven in de Messias, in God maar het moet wel overeenstemmen met zijn verlangens en ideeën. Zo sputtert hij tegen: als Jezus persé wil wassen, dan ook alles…

De houding van Petrus is apart, maar niet uitzonderlijk. Ook voor gelovigen anno 2020 kan het geloof bepaald worden door wat zij zelf redelijk vinden of aannemelijk . Dat geldt niet alleen voor geloof, het kan ook onze relaties met anderen bepalen. Ben ik bepalend voor wat er gebeurt of houd ik rekening met de ander? Neem ik de ruimte of gun ik haar ook aan een ander? Is het ‘my way or the highway’ ? Oftewel ‘als je het er niet mee eens bent, dan kun je vertrekken’.

Op Witte Donderdag geeft de Heer duidelijk aan hoe Hij zich wegschenkt in brood en wijn en wat Hij verwacht van zijn leerlingen. Mogen wij geestelijk gevoed door Christus meer en meer leven overeenkomstig zijn wil.


Woensdag 8 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd ging een van de twaalf, Judas Iskariot geheten, naar de hoge­priester en zei: ‘Wat wilt ge mij geven als ik Hem u in handen speel?’ Zij betaalden hem dertig zilverlingen uit. En van toen af zocht hij een gunstige gelegen­heid om Hem over te leveren.
Op de eerste dag van het ongedesemde brood kwamen de leerlin­gen Jezus vragen: ‘Waar wilt Gij dat wij het paasmaal voor U gereed maken?’ Hij antwoordde: ‘Gaat naar de stad en zegt aan die en die: De Meester laat weten: Mijn uur is nabij; bij u wil Ik met mijn leerlingen het paasmaal hou­den.’ De leerlingen deden zoals Jezus hun had opgedra­gen en maakten het paasmaal gereed.
Toen de avond gevallen was, lag Hij met de twaalf leerlingen aan. Onder de maaltijd sprak Hij: ‘Voor­waar, Ik zeg u: een van u zal Mij overleveren.’ Smartelijk getroffen begon de een na de ander Hem te vragen: ‘Ik ben het toch niet, Heer?’ Hij antwoordde: ‘Die met Mij zijn hand in de schotel steekt, zal Mij overleveren. Wel gaat de Mensenzoon heen, zoals van Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!’
Judas, zijn verrader, nam ook het woord en zei: ‘Ik ben het toch niet, Rabbi?’ Hij antwoordde hem: ‘Gij zegt het.’

(De volledige daglezingen vindt u hier)

De sfeer in dit Evangelie is beklemmend. Jezus en de leerlingen vieren samen aan tafel het Joodse Paasfeest. Maar ze zijn niet opgewekt en vroomheid en dankbaarheid voeren niet de boventoon. Integendeel. Jezus vertelt ze dat een van hen Hem zal verraden. En dat is een bron van ontzetting en onderlinge achterdocht. ‘Ik ben het toch niet, Heer?’ zeggen ze, in de hoop dat Jezus hen vrijpleit van de verdenking van verraad.

Jezus maakt de sfeer nog dreigender. Want Hij zegt over de verrader: ‘Wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!’
Wat kan Jezus daarmee bedoelen? Niet anders dan dat de ziel van de verrader verloren zal gaan. Want ieder leed, alle verdriet, alle pijn en smart zullen uiteindelijk overwonnen kunnen worden door de liefde van God. Hij kan ons immers doen opstaan tot eeuwig leven. Maar wie uitdrukkelijk de liefde van God afwijst, wie zijn uitgestoken hand afslaat, die kan door niets en niemand meer gered worden.
En dat doet Judas, de verrader. Jezus is Gods uitgestoken hand. Judas heeft dat zelf mogen zien. Net als de andere leerlingen heeft hij gezien hoe Jezus mensen hun zonden vergaf, hoe Hij de zieken genas, hoe Hij Lazarus uit de dood deed opstaan. Hij heeft van dichtbij meegemaakt hoe God zelf in Jezus zijn liefde bracht aan talloze mensen. En toch wijst Judas Jezus af. En daarmee sluit hij zichzelf af van Gods verlossende liefde.

De beklemmende en dreigende sfeer van dit Evangelie zet ons aan tot bezinning. Staan wij werkelijk open voor de Heer? Laten wij Hem toe in ons leven? Nemen wij die uitgestoken hand van God aan en omarmen wij Christus? Geven we Hem een plaats in ons dagelijkse doen en laten? Of negeren wij Hem eigenlijk?

Aanstaande zondag vieren we Pasen, de opstanding van Christus. We moeten niet vergeten dat dit het feest van Jezus’ Pasen is, van zijn verrijzenis. Het wordt alleen ook het feest van onze opstanding als wij ons leven echt op Hem bouwen en wij in Hem geloven. Het trieste einde van Judas herinnert ons daaraan.


Dinsdag 7 april

Uit de Profeet Jesaja

Gij eilanden, luistert naar mij ! Spitst uw oren, verre volken ! Van de moederschoot af heeft de Heer mij geroepen, mijn naam heeft Hij al genoemd van de moederschoot af. Hij heeft van mijn mond een scherpsnijdend zwaard gemaakt en mij beschut met de schaduw van zijn hand. Hij heeft mij een spitse pijl gemaakt en mij in zijn koker geborgen. Hij heeft mij gezegd: „Mijn dienaar zijt gij, Israël, door wie Ik mijn glorie ga vinden.”
Maar ik zei: „Vruchteloos heb ik gezwoegd, mijn kracht verging in leegte en wind, maar toch behartigt de Heer mijn recht, en komt mijn beloning van God.”
Thans echter heeft de Heer gesproken, die mij van de moederschoot af tot zijn dienaar gevormd heeft om Jakob terug te brengen naar Hem en Israël van de ondergang te redden. Ik sta bij de Heer in ere, mijn God is mijn sterkte.
Hij heeft mij gezegd: „Gij zijt niet alleen mijn dienaar om Jakobs stammen op te richten en de gespaarden van Israël terug te brengen, Ik maak u nu ook tot een licht voor de heidenen, zodat mijn heil tot de grenzen der aarde zal gaan.”

(De volledige daglezingen vindt u hier)

De profeet Jesaja weet zich geroepen. Zelfs nog voordat hij was geboren, was hij al bestemd om profeet te worden. Door hem zou God weer glorie vinden. Maar hij krijgt het gevoel dat het mislukt is. De moedeloosheid slaat toe bij de profeet.

Wat moet dat gevoel herkenbaar zijn voor velen. Je hebt geprobeerd iets te maken van je leven, je krachten gegeven om iets op te bouwen. En dan opeens gebeurt er iets waar je totaal geen vat op hebt. Je kunt alleen maar met lede ogen toezien hoe je werk afbrokkelt en misschien zelfs totaal in elkaar stort, zonder enig zicht op verandering. Integendeel van 26 april wordt het 1 juni, en misschien zelfs nog later. Het is om moedeloos van te worden, als je inzet in leegte en wind vergaat.

Wat blijft dan over? Voor Jesaja is er een groot “maar toch”. Hij blijft vertrouwen op God en die zal hem zelfs maken tot een licht voor de heidenen. Toch heeft Jesaja dit niet meegemaakt. Het bleef een belofte die pas vervuld zou worden in de Christus.

Ook bij Jezus Christus leek alles te zijn mislukt: onbegrip van het volk, van zijn leerlingen, het schijnbare failliet van zijn dood op het kruis, de godverlatenheid bij zijn sterven. Maar toch bidt Hij op het eind van zijn aardse bestaan “Vader, in uw handen beveel Ik mijn Geest…”
En zijn vertrouwen was niet vergeefs: God zijn Vader heeft Hem gemaakt tot een Licht voor de heidenen, zodat zijn heil tot de grenzen der aarde zou gaan. Ook tot ons.

Wat heb je daaraan op dit moment? Misschien is het goed om te bedenken waarom je zo hard gewerkt hebben. Ging het om de carrière of het bedrijf of om de mensen voor wie je het deed? En als zoveel wegvalt, valt dan ook het belangrijkste weg? Het is zaak om te weten waarin of in wie je moet investeren!

Het gelovig antwoord ligt in de relatie. Zoals Jesaja zich van de moederschoot geroepen wist, zo mogen ook wij ons gezien en geroepen weten. Namelijk door een God ons recht behartigt, die een toekomst voor ons in petto heeft. Dat is geen toekomst van bankrekeningen, maar van verbondenheid en geborgenheid. Laten we daarin een diepte-investering doen door ons tot Hem te bekeren, te geloven en lief te hebben.


Maandag 6 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Zes dagen voor Pasen kwam Jezus te Betanië, waar Lazarus woonde, die Hij uit de doden had opgewekt. Men gaf daar ter ere van Hem een maaltijd. Maria bediende en Lazarus was een van degenen die met Hem aanlagen.
Maria nu nam een pond nardusbal­sem, echte en heel kostbare, zalfde daarmee Jezus’ voeten en droogde ze met haar haren af. Het huis hing vol balsem­geur. Daarop zei Judas Iskariot, een van zijn leerlingen, dezelfde die Hem zou uitleveren: ‘Waarom is die balsem niet voor driehon­derd denaries verkocht en het geld aan de armen gege­ven?’ Hij zei dat, niet omdat hij bezorgd was voor armen, maar omdat hij een dief was en uit de beurs die hij bewaarde, wegnam wat erin kwam.
Jezus echter zei: ‘Laat haar begaan. Zij heeft dit gebruik onderhou­den, vooruitlopend op de dag van mijn begrafenis. Want de armen houdt gij altijd bij u. Mij echter niet altijd.’
Intussen waren heel veel Joden te weten gekomen dat Jezus daar was, en kwamen erheen niet alleen omwille van Jezus, maar ook om Lazarus te zien die Hij uit de doden had opgewekt. De hogepries­ters besloten toen ook Lazarus uit de weg te ruimen, omdat om hem veel Joden wegliepen en in Jezus geloofden.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Wat een verschillen in het Evangelie van vandaag. Aan de ene kant liefde en goedheid en aan de andere kant het kwaad.

We horen over Jezus en zijn vrienden. Jezus heeft Lazarus nieuw leven geschonken door hem uit de dood te doen opstaan. Hij is bevriend met Lazarus en diens zusters Marta en Maria. En Maria is dienstbaar aan de gasten en haar broer en ze eert Jezus door zijn voeten te zalven. En als Judas dan een afkeurende opmerking maakt, neemt Jezus het voor Maria op en Hij toont begrip en respect voor wat ze doet. Vriendschap, leven, dienstbaarheid, begrip en respect, dat is het wat Jezus teweegbrengt.

En dan zijn daar Judas en de hogepriesters. Judas bekritiseert Maria’s daad van verering en liefde. Hij is geërgerd dat hij zelf het geld voor die balsem niet in handen krijgt. Judas liegt dat hij het geld voor de armen had willen uitgeven, want hij had het zelf achterover willen drukken. En hij zal met de hogepriesters samenzweren om Jezus uiteindelijk te vermoorden. Dat is het wat Judas voortbrengt: kritiek, irritatie, hebzucht, list, leugen, diefstal en moordplannen.

We zien de botsing tussen goed en kwaad, tussen licht en donker, tussen God en de duivel. Later deze week zullen we horen hoe het kwaad lijkt te overwinnen en hoe Jezus wordt omgebracht. Maar we weten dat het daar niet bij blijft. Want God is sterker dan het kwaad, sterker dan de zonde, sterker dan de duivel en de dood. We kunnen ons op Hem verlaten en Hem vertrouwen.

Het vertrouwen dat wij in God mogen hebben, wordt in de psalm van vandaag mooi verwoord:

De Heer is mijn licht en mijn leidsman,
wie zou ik vrezen?
De Heer is de schuts van mijn leven,
voor wie zou ik bang zijn?
Zie uit naar de Heer en houd dapper stand,
wees moedig van hart en vertrouw op de Heer.

Het zijn weinig woorden. Herhaal ze een paar keer stil voor uzelf, en laat ze op u inwerken. En bid ze. Het zijn bemoedigende woorden; woorden van God zelf.


Zondag 5 april

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi

Broeders en zusters, Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is. Opdat bij het noemen van zijn Naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde; en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader:
Jezus Christus is de Heer.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Ieder jaar biedt Palmzondag ons een vreemde liturgie van uitersten. Eerst wordt Christus binnengehaald als koning en scharen wij ons achter de kinderen van Jeruzalem met palmtakken in de hand en zingen de Heer toe als ‘de Gezegende die komt in de Naam des Heren’. En al snel daarop wordt het lijdensverhaal gelezen waar in plaats van ‘Hosanna’ opeens ‘kruisig Hem’ wordt gescandeerd.

Het geeft mij altijd een dubbel gevoel. Toch zou ik het passieverhaal niet willen missen op Palmzondag. Want uitersten en dubbele gevoelens zijn vaak zo typerend voor ons leven. Zo kan tijdens het voorbereiden van uitvaarten naast het vallen van tranen soms even hartelijk gelachen worden. Op één dag kun je geconfronteerd worden met sterven en geboorte. Van himmelhoch jauchzend opeens zum Tode betrübt worden. Het is de dubbelheid van naastenliefde temidden van de eenzaamheid op een IC-unit.

Paulus schrijft aan de Filippenzen over zulke uitersten in het leven van Christus. Christus was gelijk aan God, maar Hij heeft die goddelijke majesteit losgelaten om mens te worden en een slavenbestaan te gaan leiden. Van opperste heerlijkheid afgedaald tot op de vernedering van het kruis. God de Zoon heeft aan ons gelijk willen worden tot in de dood. Grotere uitersten zijn niet denkbaar.

Iedere mens is onderworpen aan de dood. Dat onontkoombare lot was Jezus bereid met ons te delen in het offer op het kruis. Hij bleef in alles gehoorzaam aan zijn Vader: “Niet mijn wil, maar uw wil geschiede.”

En als die wil geschied is, dan blijkt Gods wil ten diepste een heilswil te zijn. God wil het goede voor zijn Zoon. God verheft zijn Zoon hoger dan het kruis dat wij Hem gaven, door Hem de naam te geven die boven alle namen is. Dat is de Godsnaam: Ik zal er zijn voor jou.

Want na het lijden en sterven wachtte Christus de heerlijkheid van Pasen. Die heerlijkheid belooft Hij aan ons. Ook al is het voor velen op dit moment nog steeds een Goede Vrijdag, wij mogen delen in zijn Verrijzenisleven.

Laten wij dan Hem aanbidden en blijven vertrouwen op Hem: Jezus Christus is de Heer!


Zaterdag 4 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Vele Joden, die naar Maria waren gekomen en zagen wat Jezus gedaan had, geloof­den in Hem. Enigen van hen gingen echter naar de Farizeeën om hun te vertellen wat Jezus gedaan had.
De hogepriesters en Farizeeën belegden daarop een zitting van het Sanhedrin en zeiden: ‘Wat doen we?’ Want die man verricht veel wonde­ren. Als wij Hem zijn gang laten gaan, zullen ze allemaal in Hem geloven. Dan zullen de Romeinen komen en met de heilige plaats ook ons volk wegvagen.’
Maar een van hen, Kajafas, die in dat jaar hogepriester was, zei hun: ‘Gij begrijpt er niets van;
ge denkt er niet aan, dat het beter voor u is, dat er een mens voor het volk sterft dan dat het hele volk ten onder gaat.’
Dat zei hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester in dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen van God samen te brengen. Van die dag af waren ze besloten Hem te doden.
Jezus bewoog zich daarom niet meer openlijk onder de Joden, maar vertrok vandaar naar de streek bij de woestijn, en wel naar de stad Efraim, waar Hij met zijn leerlingen verbleef. Toen echter het paasfeest van de Joden op handen was, gingen velen uit die streek voor Pasen naar Jeruzalem om zich te reinigen. Ze zochten naar Jezus en zeiden tot elkaar, terwijl ze in de tempel stonden: ‘Wat dunkt u? Zou Hij niet naar het feest komen?’

(De volledige daglezingen vindt u hier)

We zitten vlak voor de Goede Week. Morgen is het Palmzondag. In het Evangelie horen we vandaag over het besluit Jezus om te brengen: Kajafas, die in dat jaar hogepriester was, zei hun: ‘Gij begrijpt er niets van; ge denkt er niet aan, dat het beter voor u is, dat er een mens voor het volk sterft dan dat het hele volk ten onder gaat.’ … Van die dag af waren ze besloten Hem te doden.

Kajafas offert Jezus op om het volk te sparen. Want hij vreest dat de Romeinen hardhandig zullen ingrijpen als de mensen achter Jezus aanlopen. En om het zover niet te laten komen, besluit Kajafas dus dat Jezus dood moet.

Het is een vreselijke beslissing die Kajafas neemt. Een mens gaan vermoorden is afschuwelijk. En we weten dat Jezus een gruwelijke dood is gestorven. En toch is God in deze duistere zaak niet afwezig. Al weet Kajafas dat niet. Johannes schrijft: als hogepriester in dat jaar profeteerde hij (Kajafas), dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen van God samen te brengen.

Kajafas weet niet dat God uit de dood van Jezus iets goeds zal laten voortkomen. Jezus’ dood aan het kruis zal eeuwig leven betekenen voor talloze mensen. En dat kon Kajafas niet voorzien. Hij dacht dat hij het aardse leven van het volk beschermde door de dood van Jezus. Maar God zorgde ervoor dat Jezus’ dood ten bate kwam van het eeuwig leven van de mensen.

Net als Kajafas kunnen wij niet overzien wat God van plan is en hoe Hij de gebeurtenissen in ons leven daarin een plaats geeft. Het is echt niet zo dat alles wat er in ons leven gebeurt Gods wil is. Maar wel is God altijd bij ons. En zijn begeleiding van ons leven en van de wereld zullen uiteindelijk leiden tot geluk en leven. Hoe? Dat weten we niet. Dat kunnen wij niet doorgronden. Maar de verrijzenis van Christus, na die vreselijke dood aan het kruis, laat zien dat God overwint. Hij overwon de kruisdood van Jezus en Hij overwint ook het leed in ons leven.


Vrijdag 3 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd raapten de Joden stenen op om Jezus te stenigen. Maar Jezus zei hun: ‘Ik heb voor uw ogen veel goede werken verricht, die uit de Vader voortkomen; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen? De Joden gaven Hem ten antwoord: ‘Niet om een goed werk stenigen wij U, maar om een godslastering: dat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.’ Jezus antwoordde hun: ‘Staat er niet in uw Wet geschreven: Ik heb gezegd: gij zijt goden?
Zij heeft hen tot wie het woord Gods gericht werd, goden genoemd, en de Schrift heeft bindende kracht. Maar waarom dan beschuldigt ge Mij, die door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden werd, van godslastering als Ik Mijzelf Gods Zoon noem? Als Ik de werken van mijn Vader niet doe, behoeft gij Mij niet te geloven, maar zo Ik ze wel doe, gelooft dan die werken, als ge Mij niet wilt geloven. Dan zult gij inzien en erkennen, dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.’ Toen probeerden zij opnieuw Hem te grijpen, maar Hij stelde zich buiten hun bereik. Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes aanvankelijk gedoopt had, en bleef daar. Velen kwamen tot Hem, want ze zeiden: ‘Johannes heeft weliswaar geen enkel teken gedaan, maar alles wat hij over deze man zei, was waar.’ En velen begonnen daar in Hem te geloven.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Nadat een vrouw bijna gestenigd werd, loopt het conflict rond Jezus allengs uit hand, want nu wil men Hém stenigen. De problemen begonnen met de goede werken die de Heer deed, ongeacht of het sabbat was of niet. Nu is de aanleiding de godslastering dat Hij zichzelf Zoon van God noemt.

Veel leerlingen waren inmiddels afgehaakt omdat ze de boodschap van Jezus te weerbarstig vonden. Zeker toen Hij begon te spreken over de gave van zijn Lichaam en Bloed als waarlijk voedsel en waarlijk drank (Joh. 6) zoals we vieren op Witte Donderdag.

Het zijn woorden waar de gelovige Joden aanstoot aan nemen. Het zijn woorden waar zogenaamd ‘moderne’ mensen evengoed aanstoot aan kunnen nemen: ‘Hoe kan dat…?’ Maar nergens in het Evangelie verzacht de Heer zijn woorden. Nergens zegt Hij zoiets als ‘eigenlijk bedoel ik’ of ‘het is maar symbolisch…’ Integendeel, zoals hier in het Evangelie. Het zoonschap van God zou je symbolisch kunnen uitleggen als bij God horen, kind zijn van God. Maar dan zegt Christus : “dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.” Met andere woorden het Zoonschap van de Heer gaat véél verder dan alleen maar horen bij, dit heeft alles te maken met zijn kern, met zijn wezen.

In duidelijke en scherpe bewoordingen spreekt de Heer. En daarop volgt een enkele constatering: ‘En velen begonnen daar in Hem te geloven.’ Wat is het toch bijzonder dat temidden van het gekrakeel in de wereld mensen tot geloof komen en het bewaren! Tot op de dag van vandaag belijden alle christenen het geloof dat Jezus de Zoon van God is. In het Jeruzalem van Jezus’ dagen, in de circussen van het Romeinse Rijk, in oorlogsgebieden, ten tijde van de pest of de griep, hebben velen vertrouwd op de Heer, dat Hij met hen begaan is en hen redden zou. Dat is geloof gelouterd door het kruis en gesterkt door de hoop.

Volgende week gedenkt de Kerk dat Gods Zoon zichzelf heeft overgeleverd tot op het kruis omwille van ons heil. Moge het ook ons geloof zijn.


Donderdag 2 april

Uit Psalm 105

Verlaat u op God, op zijn machtige arm,
blijft altijd zijn Aanschijn zoeken.
Vergeet nooit de wonderen die Hij deed,
zijn tekenen en zijn beloften.

Gij, kroost van zijn dienaar Abraham,
gij zonen van Jakob, zijn welbeminde.
De Heer, Hij is onze enige God,
wat Hij beslist geldt voor heel de aarde.

Voor eeuwig blijft zijn verbond van kracht,
wat Hij beloofd heeft voor duizend geslachten.
De bond die Hij vroeger met Abraham sloot,
de eed die Hij Isaäk eens heeft gezworen.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

In iedere Mis wordt er een deel uit een psalm gebeden als tussenzang. Deze psalmen zijn vaak prachtige gebeden, lofzangen, klaagzangen of overwegingen. Vandaag komt de tussenzang uit psalm 105, die Gods trouw aan zijn volk bezingt. God zorgt voor zijn mensen, Hij blijft trouw aan zijn beloften en je kunt je dus veilig aan Hem toevertrouwen. ‘Verlaat u op God, op zijn machtige arm, blijft altijd zijn Aanschijn zoeken.’

Gods trouw gaat verder dan wij kunnen overzien. Toen God aan Abraham beloofde dat Abraham vader zou worden van vele volkeren, had Abraham geen idee hoe dat werkelijkheid zou worden. En Abraham kon het ook niet controleren, want hij zou natuurlijk al lang gestorven zijn voordat het zo ver zou zijn.
Maar Abraham geloofde God en vertrouwde op Gods belofte. Hij sloot een verbond met God en hield zich aan dat verbond, in het vertrouwen dat God zich ook aan dat verbond zou houden. En God heeft woord gehouden. Want Abraham is vader geworden van alle gelovigen. ‘Voor eeuwig blijft zijn verbond van kracht, wat Hij beloofd heeft voor duizend geslachten. De bond die Hij vroeger met Abraham sloot, de eed die Hij Isaäk eens heeft gezworen.’

Het verbond dat God met ons, christenen, gesloten heeft, is het verbond in Christus. In Jezus komen God en mens samen in één persoon. En net zoals Jezus voor eeuwig leeft na zijn verrijzenis, zo is ook dat verbond met God voor altijd, ongebroken, rotsvast en absoluut betrouwbaar. Wie zich door het geloof in Jezus met God verbindt, zal mogen delen in de eeuwige liefde van God.

Meestal kunnen we dat verbond met God vieren in de Eucharistie: ‘Neemt en eet hiervan, gij allen, want dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt. … Neemt deze beker en drinkt hier allen uit, want dit is de beker van het nieuwe altijddurende Verbond, dit is mijn Bloed dat voor u en alle mensen wordt vergoten tot vergeving van de zonden.’
Nu kan dat helaas een paar maanden niet. Maar als wij diep verlangen naar de Communie, als we God vragen om ons te sterken in ons geloof en vertrouwen, dan zal Hij ons zijn genade zeker schenken. Want voor God is niets onmogelijk. Hij blijft trouw, altijd.

Meer over de geestelijke Communie leest u hier.


Woensdag 1 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus tot de Joden die in Hem geloofden: ‘Indien gij trouw blijft aan mijn woord, zijt gij waarlijk mijn leerlingen. Dan zult ge de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken. Men wierp op: ‘Wij zijn van Abrahams geslacht en nooit iemands slaaf geweest. Hoe kunt Gij dan zeggen: gij zult vrij worden?’ Jezus antwoordde hun: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: alwie zonde doet, is slaaf van de zonde, en de slaaf blijft niet voor eeuwig in het huis. De Zoon blijft voor eeuwig. Als de Zoon u vrijmaakt, zult gij werkelijk vrij zijn. Ik weet dat gij van Abrahams geslacht zijt; niettemin zoekt gij Mij te doden, omdat mijn woord bij u geen ingang vindt. Ik verkondig wat Ik bij de Vader heb gezien, maar gij doet wat gij van uw vader gehoord hebt.’
Zij antwoordden Hem: ‘Onze vader is Abraham!’  Daarop zei Jezus hun: ‘Als gij kinderen van Abraham zijt, doet dan ook de werken van Abraham.
Thans echter zoekt gij Mij, een mens te doden, terwijl Ik u de waarheid heb gezegd, die Ik van God heb gehoord. Zoiets deed Abraham niet. Gij doet de werken van uw vader.’  Zij zeiden Hem: ‘Wij zijn niet uit ontucht geboren; één vader hebben wij en dat is God.’ Jezus zeide hun: ‘Als God uw vader was, zoudt gij Mij beminnen, want van God ben Ik uitgegaan en van Godswege ben Ik hier. Neen, Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Opnieuw een rede van Jezus. Hij wast hier zijn gehoor de oren. Maar is het begin goed tot u doorgedrongen? De Heer spreekt hier niet met tegenstanders, schriftgeleerden of Farizeeën. Hij spreekt hier met Joden die in Hem geloofden.

Zij willen zijn leerlingen zijn. Maar dat word je pas als als je trouw blijft aan wat Hij zegt. Totdat de Heer spreekt over de waarheid die vrijmaakt, dan ontstaat er verwijdering. Het springende punt is het woord ‘vrijmaken’.

Vrijmaken impliceert gevangenschap of slavernij. Maar deze Joodse leerlingen stammen af Abraham en zijn nooit slaaf geweest. Hoe kan er voor hen sprake zijn van vrij worden, als ze al vrij zijn? Dan brengt Jezus vrijheid op een dieper niveau. Je bent niet vrij als je zondigt, dan ben je slaaf van de zonde. Het gesprek escaleert met alle gevolgen van dien.

Waarom drijft de Heer het op de spits? Het kan niet anders dan dat Hij zijn volgelingen helpen wil. Hoe dan? In vrijheid hebben zijn leerlingen gekozen. Het is hun vrije keuze zoals ze ook voor iets anders hadden kunnen kiezen. ‘Ik maak het zelf wel uit’, zoals wij tegenwoordig zeggen, waarbij wij de regie in eigen handen houden.

Dat is de grootste illusie, waar op dit moment heel de wereld tegenaan lijkt te lopen. Er gebeuren dingen die zich aan ons onttrekken, waarover wij geen enkele macht hebben. En als dat alles gebeurt, blijkt hoe wij vast zitten aan gedragingen, niet buiten de dingen kunnen die wij als vanzelfsprekend beschouwen. Waar zijn wij dan eigenlijk van afhankelijk, of zelfs slaaf van?

Leerling van Jezus zijn betekent te weten van wie je het mag verwachten. Te weten dat je zonder Hem vast komt te zitten en niet verder kunt. Dat gold voor de leerlingen van het begin, dat geldt voor ons of je nu uit een katholiek nest komt of op latere leeftijd christen bent geworden. De heilige Petrus getuigt hiervan: “Heer, naar wie anders zouden wij gaan, Gij hebt woorden van eeuwig leven. En wij weten en geloven dat Gij de Heilige Gods zijt”.


Dinsdag 31 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd sprak Jezus tot de Farizeeën : ‘Ik ga heen en gij zult Mij zoeken, maar in uw zonden zult ge sterven. Waar Ik heenga kunt gij niet komen.’ De Joden zeiden daarop: ‘Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat Hij zegt: Waar Ik heenga kunt gij niet komen?’ Maar Hij hernam: ‘Gij zijt van beneden. Ik ben van boven. Gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. Daarom zei Ik u, dat gij in uw zonden zult sterven, want als gij niet gelooft dat Ik ben, zult gij in uw zonden sterven.’ Zij vroegen Hem toen: ‘Wie zijt Gij dan?’ Jezus antwoordde: ‘Waarom zou Ik daar eigenlijk nog met u over spreken?
Veel zou Ik over u kunnen zeggen tot uw veroordeling. Maar Hij die Mij gezonden heeft, is waarach­tig, en wat ik van Hem heb gehoord, dat zeg Ik tot de wereld.’ Zij begrepen niet dat Hij hun van de Vader sprak. Daarop zei Jezus: ‘Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult gij inzien dat Ik ben en Ik uit Mijzelf niets doe, maar dit alles zeg zoals de Vader het Mij heeft geleerd. En Hij die Mij gezonden heeft, is met Mij; Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat ik altijd doe wat Hem behaagt.’ Toen Hij aldus sprak, gingen er velen in Hem geloven.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Je kunt in deze tijd regelmatig horen over bezorgde kinderen die zich druk maken om hun ouders op leeftijd. Want niet alle ouderen laten zich overtuigen dat alleen zijn en binnen blijven momenteel het beste voor ze is. Op het internet heb ik verschillende berichten gezien van kinderen die proberen hun ouders te waarschuwen voor het gevaar waarin zij zich bevinden. Maar de waarschuwingen lijken soms niet door te dringen.

Vandaag horen we Jezus de Farizeeën waarschuwen. Het gaat ook hier om leven en dood. Jezus zegt: ‘Ik ga heen en gij zult Mij zoeken, maar in uw zonden zult ge sterven. Waar Ik heenga, kunt gij niet komen.’
Jezus weet dat de Farizeeën denken dat ze zo’n beetje heiligen zijn. Ze menen dat ze geen vergeving nodig hebben, en al helemaal niet van Jezus. Maar ze vergissen zich. Ook zij, net als alle mensen, net als wij, hebben Gods vergeving nodig. De vergeving die God ons aanbiedt in zijn Zoon. Als wij Hem maar willen aannemen, als wij maar in Hem willen geloven.

Jezus wijst ze er nog eens nadrukkelijk op, dat Hij van God komt, en dat ze Gods vergeving zullen mislopen als ze Hem niet aannemen: ‘Gij zijt van beneden. Ik ben van boven. Gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. Daarom zei Ik u, dat gij in uw zonden zult sterven, want als gij niet gelooft dat Ik ben, zult gij in uw zonden sterven.’

‘Als gij niet gelooft dat Ik ben.’ Jezus wijst hiermee naar de Naam waarmee God zichzelf openbaarde aan Mozes: ‘Ik ben die is.’ God zelf waarschuwt de Farizeeën en alle mensen die menen dat ze Jezus niet nodig hebben.

Geloof toch in Christus. Aanvaard zijn liefde. Laat je door God beminnen. En beantwoord zijn liefde met jouw liefde voor Hem. Want liefde, Gods liefde, is sterker dan de dood. Hij overwint het kwaad van onze zonden, Hij is sterker dan onze menselijke broosheid. En deel Gods liefde met je naaste, door je naaste te beminnen en het beste voor hem te wensen en te doen.


Maandag 30 maart

Uit het heilig Evangelie volgens Johannes

In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg. ’s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel en al het volk kwam naar Hem toe. Hij ging zitten en onderrichtte hen. Toen brachten schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw die op overspel was betrapt. Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem: ‘Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt, terwijl ze overspel bedreef. Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen zulke vrouwen te stenigen. Maar Gij, wat zegt Gij ervan?’ Dit bedoelden ze als een strikvraag in de hoop Hem ergens van de te kunnen beschuldigen. Jezus echter boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond. Toen ze bij Hem aanhielden met vragen, richtte Hij zich op en zei tot hen: ‘Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen.’ Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond. Toen zij dit hoorden, dropen zij een voor een af, de oudsten het eerst, totdat Jezus alleen achterbleef met de vrouw, die nog midden in de kring stond. Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar: ‘Vrouw, waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld? Zij antwoordde: ‘Niemand, Heer.’ Toen zei Jezus tot haar: ‘Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer.’

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Een interessant geval: 1. dit en dat is voorgevallen, 2. dit zijn de regels die daarvoor gelden en 3. hoe deze toe te passen? Dat kan aanleiding geven tot interessante uiteenzettingen, als het ware voer voor schriftgeleerden, theologen en eenieder met een mening. Voor academici is dat interessante casuïstiek en je kunt uren over zulke onderwerpen delibereren.

Maar de schriftgeleerden en de Farizeeën hopen niet op een spitsvondig betoog van Jezus, daar gaat het ze niet om. Ze willen Hem in de val lokken “in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen”. Het is een vraag waarop je gesprekspartner eigenlijk nooit een goed antwoord kan geven. Als Jezus een antwoord zou geven dat tegen Mozes ingaat, dan zou Hij ontrouw zijn aan de Wet. Als Hij zou instemmen, maakt dat Hem voor zondaars een stuk minder toegankelijk.

Jezus’ antwoord is subliem. Hij haalt de aandacht weg van de vrouw door de schriftgeleerden en de Farizeeën te confronteren met hun eigen gebrokenheid: “wie van u zonder zonden is, werpe de eerste steen”. Dat ze één voor één afdruipen, getuigt wel van zelfkennis en kennelijk weten ze zich toch voor God geplaatst, want ze dienen de Heer niet van repliek.

Maar wat gruwelijk blijft, is dat dit geen gedachtenspelletje is. In de zin van: stel dat iemand overspel bedrijft en wordt betrapt, wat dan te doen? Nee, een overspelige is opgepakt en zal gestenigd worden. Maar het gaat hier niet om recht of gerechtigheid. De schriftgeleerden en de Farizeeën gebruiken de overspelige vrouw als middel om Jezus ten val te brengen. Van een mens maken zij haar tot een ding waarvoor je noch oog noch hart hoeft te hebben.

De Heer heeft wel oog en hart voor haar. Niet dat Hij zegt “Och arm, het is al goed, ga maar vlug naar huis.” Nee, Hij weet dat de vrouw niet goed gehandeld heeft. Zij heeft gezondigd door in te gaan tegen de Wet. Dat is niet erg omwille van de Wet, maar omwille van haar relatie met God en de naaste die de Wet veilig tracht te stellen. Ik geloof dat meer dan stenen de zonde het leven te gronde richt. Want het ware leven is het leven met God.

De schriftgeleerden en de Farizeeën staren zich blind op de Wet en zien de ander niet meer. Met haar heil zijn ze niet begaan. Maar Jezus kijkt naar de verloren mens die voor Hem staat en Hij verlangt die mens te redden en bij zijn Vader te brengen: “Zondig van nu af niet meer!”

Zo kijkt de Heer naar ons met een enorme liefde die ons het leven gunt. Mogen wij zo ook naar elkaar kijken.


Zondag 29 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Bij zijn aankomst bevond Jezus dat hij al vier dagen in het graf lag. Betanië nu was dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën. Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten over het verlies van hun broer.
Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was, ging zij Hem tegemoet; Maria echter bleef thuis. Marta zei tot Jezus: ‘Heer, als Gij hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik, dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.’
Jezus zei tot haar: ‘Uw broer zal verrijzen.’ Marta antwoordde: ‘Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.’ Jezus zei haar: ‘Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?’ Zij zei tot Hem: ‘Ja, Heer ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt.’
Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen en zei zachtjes: ‘De Meester is er en vraagt naar je.’ Zodra zij dit hoorde, stond zij vlug op en ging naar Hem toe.
Jezus was nog niet in het dorp aangekomen, maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had. Toen de Joden die met Maria in huis waren om haar te troosten, haar plotseling zagen opstaan en weggaan, volgden zij haar in de mening dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus zich bevond, viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei: ‘Heer, als Gij hier was geweest zou mijn broer niet gestorven zijn.’ Toen Jezus haar zag wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegeko­men, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Hij: ‘Waar hebt gij hem neergelegd?’ Zij zeiden Hem: ‘Kom en zie, Heer.’ Jezus begon te wenen, zodat de Joden zeiden: ‘Zie eens hoe Hij van hem hield.’

(De rest van het Evangelie en de andere lezingen vindt u hier)

Jezus zei tot haar: ‘Uw broer zal verrijzen.’ Marta antwoordde: ‘Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.’ Jezus zei haar: ‘Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?’ Jezus wist dat Hij Lazarus uit de dood kon doen opstaan. Hij wist dat Hij Lazarus binnenkort weer zou ontmoeten. En toch huilt Jezus als Hij bij het graf van Lazarus staat.

Johannes vertelt ons over die emoties van Jezus: Toen Jezus haar (Maria, de zus van Lazarus) zag wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Hij: ‘Waar hebt gij hem neergelegd?’ Zij zeiden Hem: ‘Kom en zie, Heer.’ Jezus begon te wenen ….

Jezus is begaan met de mensen. Het lot van de mensen laat Hem niet koud. Als mensen ziek zijn, of verdrietig of eenzaam, of wanneer mensen sterven, denkt Hij niet bij zichzelf: Ach, Ik kan ze toch weer doen verrijzen als ik dat wil. Waarom zou Ik verdrietig zijn?
Nee, Jezus leeft mee met onze pijn en ons verdriet, ook al zal Hij dat alles overwonnen hebben in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Wij mensen zijn kwetsbaar. Dat ervaren we zeker in deze bijzondere veertigdagentijd. Wij zelf zijn kwetsbaar en onze samenleving is kwetsbaar. Voor sommigen kan dat als een schok komen. Want velen leefden alsof brood op de plank en een goede gezondheid vanzelfsprekend zijn. Nu blijkt dat allemaal niet het geval. In een paar weken tijd wordt iedereen geconfronteerd met deze fundamentele onzekerheid.
Maar weet dat je er niet alleen voor staat. God leeft met je mee. Hij is erbij wanneer je worstelt met spanningen. Hij is erbij wanneer je eenzaam bent of de hoop lijkt te verliezen. Net als Jezus niet voorkwam dat Lazarus stierf, zal Hij ook ons niet altijd voor alle kwaad behoeden. Maar Hij laat ons er ook niet in achter, zoals Hij ook Lazarus niet in het graf liet. Want Hij heeft de macht ons het eeuwig leven te geven.

Johannes schreef niet alleen dit Evangelie, maar ook drie brieven en het boek Openbaring. In dat laatste boek toont God hem in een visioen de weg die God met de mensheid gaat. En wanneer die geschiedenis van God met de mensen voltooid wordt, ziet Johannes hoe God alles nieuw en volmaakt zal maken. Hij schrijft over die nieuwe wereld: Zie, de Woonstede Gods bij de mensen: Hij zal zijn Tent bij hen spannen. Zij zullen zijn volk zijn, Hij: God met hen! Elke traan wist Hij weg uit hun ogen; en nooit zal de dood er meer zijn, geen rouw, geen geween en geen smart; want het vroegere is voorbij!
Dat is de hoop die wij, christenen, mogen hebben. Een hoop die geworteld is in de wonderbare macht van God en in zijn liefde. Laten wij ons aan Hem toevertrouwen.


Zaterdag 28 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Bij het horen van Jezus’ woorden zeiden sommigen van het volk: ‘Dit is inderdaad de profeet.’ Anderen zeiden: ‘Het is de Messias.’ Weer anderen wierpen op: ‘Komt de Messias soms uit Galilea? Heeft de Schrift niet gezegd, dat de Messias komen zal uit het geslacht van David en uit Betlehem, het dorp waar David woonde?’ Zo ontstond er dus om Hem verdeeldheid onder het volk. Sommigen hunner wilden Hem gevangennemen, maar niemand sloeg de hand aan Hem. Toen dan ook de dienaars bij de hogepriesters en Farizeeën terugkwamen, vroegen dezen hun: ‘Waarom hebt gij Hem niet meegebracht?’ De dienaars antwoordden: ‘Nooit heeft iemand zo gesproken als die man.’ Waarop de Farizeeën zeiden: ‘Hebt gij u soms ook laten bedriegen? Heeft dan een van de overheden of van de Farizeeën in Hem geloofd? Dat volk, ja, dat de Wet niet kent; vervloekt zijn ze!’ Maar een uit hun kring, Nikodemus, die vroeger bij Jezus gekomen was, merkte op: ‘Veroordeelt onze Wet iemand zonder hem eerst te horen en te vernemen wat hij doet?’ Zij gaven hem ten antwoord: ‘Zijt gij soms ook uit Galilea? Zoek maar na en gij zult zien dat de profeet niet uit Galilea opstaat.’ Toen ging ieder naar huis.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

‘Veroordeelt onze Wet iemand zonder hem eerst te horen en te vernemen wat hij doet?’ Het lijkt een vraag waarop het antwoord alleen maar ontkennend kan zijn: Nee, natuurlijk niet, want het is Gods Wet en God is rechtvaardig.

Maar ook al is de Wet rechtvaardig, wetsdienaren zijn dat niet per definitie. Dat blijkt duidelijk uit de argumentatie van de hogepriesters en de Farizeeën.

De dienaren hebben Jezus niet meegenomen, omdat zij onder de indruk waren van zijn spreken. Maar daar wordt niet inhoudelijk op ingegaan. Er wordt op de man gespeeld (“Hebt gij u soms ook laten bedriegen”) en een gezagsargument wordt gebruikt (de autoriteiten, de hogepriesters en Farizeeën zelf dus, hebben niet in Hem geloofd). Dus hun dienaren zijn ofwel dom als het volk dat de Wet niet kent ofwel luisteren ze niet naar het gezag.

Op de vraag van Nikodemus wordt evenmin ingegaan, terwijl hij uit hun eigen kring komt als Farizeeër en overste van het volk. Hem wordt de mond gesnoerd door een verdachtmaking (hoor jij ook bij Jezus?) en door hem gebrek aan kennis te verwijten over de Wet.

De hogepriesters en de Farizeeën zijn vooringenomen. Het oordeel over Jezus is al geveld, daarom hoeven ze niet meer te luisteren. In hun arrogantie menen zij het betere oordeel te hebben.

Die houding is niet voorbehouden aan de Joodse overheden uit Jezus’ tijd. Wat is onze houding naar anderen en waardoor laten wij ons leiden?

Het is gemakkelijk om in ons samenleven elkaar met etiketten te beplakken. Dan weet je waar je aan toe bent als je iemand ontmoet. Maar doe je wel recht aan de persoon die voor je staat, als je mensen of groepen over één kam scheert?

Het is goed om bij onszelf na te gaan in welke mate wij bevooroordeeld zijn. Dat geldt in de maatschappij, maar ook thuis. Zeker waar velen nu tot elkaar ‘veroordeeld’ zijn tot op de vierkante centimeter, zonder de afleiding van werk of uitgaan. Sta je open voor de ander, of weet je bij voorbaat al wat de ander vindt? Laten we proberen welwillend en redelijk te zijn in de omgang en elkaar het goede gunnen.


Vrijdag 27 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd trok Jezus rond in Galilea, want Hij wilde dat niet in Judea doen, omdat de Joden er op uit waren Hem te doden. Het liep tegen een van de Joodse feesten, het Loofhutten­feest. Toen zijn broeders naar het feest waren gegaan, vertrok Hij ook, niet openlijk maar onopvallend.
Enkele Jeruzalemmers zeiden: ‘Is dit niet de man die ze zoeken te doden? En nu zie eens. Hij staat in het openbaar te spreken en men zegt Hem niets! Zou de overheid nu werkelijk erkend hebben, dat Hij de Messias is? Maar van deze man weten wij waar Hij vandaan is, wanneer echter de Messias komt, weet geen mens waar Hij vandaan komt.’
Terwijl Jezus in de tempel leerde, riep Hij met luider stem: ‘Gij kent mij en gij weet waar Ik vandaan ben; toch ben Ik niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij die waarachtig is, heeft Mij gezonden, Hem kent gij niet. Ik ken Hem, omdat Ik uit Hem ben en Hij Mij heeft gezonden.’
Ze wilden zich van Hem meester maken, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want zijn uur was nog niet gekomen.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

De mensen die Jezus kenden, dachten dat ze wisten waar Hij vandaan kwam. Ze kenden zijn familie en ze wisten waar Hij was opgegroeid. ‘Van deze man weten wij waar Hij vandaan is, wanneer echter de Messias komt, weet geen mens waar Hij vandaan komt,’ zeggen ze. En ze concluderen dat Jezus dus de Messias, de Christus, niet kan zijn.

Maar Jezus is van God. Hij komt uit God voort. Dat mysterie hebben we woensdag gevierd. God heeft Hem gezonden om de mensen te redden van hun zonden. Na al die jaren Jezus gekend te hebben, zien veel van zijn tijdgenoten dat nog niet in. En daarom zegt Jezus: ‘Gij kent mij en gij weet waar Ik vandaan ben; toch ben Ik niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij die waarachtig is, heeft Mij gezonden, Hem kent gij niet. Ik ken Hem, omdat Ik uit Hem ben en Hij Mij heeft gezonden.’

Jammer dat velen Jezus niet als de Messias herkend en erkend hebben. Hadden ze God goed gekend, zijn liefde en zijn diepe wens om zondaars te redden, dan hadden ze kunnen zien dat in Jezus God zelf in hun midden was. Want als er iets is wat Jezus de mensen liet zien, dan was het Gods liefde voor de zondaar. Niet voor de zonde, wel voor de zondaar. Jezus schreef de zondaars niet af, maar Hij bracht ze weer bij God. Hij riep ze op tot bekering, Hij vergaf ze hun zonden, en tenslotte gaf Hij zijn leven voor hen aan het kruis.

In deze tijd wordt onze aandacht vooral gevraagd voor de lichamelijke gezondheid. En aandacht voor de gezondheid van onszelf en onze medemensen is zeker van belang, en daar moeten we ook op letten en zorgvuldig mee omgaan. Wees voorzichtig!

Maar we moeten ons geestelijk welzijn, onze spirituele gezondheid niet uit het oog verliezen. Want hoe dan ook, wij leven niet eeuwig op deze aarde. Aan ons aardse leven komt een einde. Wij zijn echter geschapen voor het eeuwig leven. En om ons daarvoor te winnen, daarom is Jezus door God gezonden.

Laten wij dus proberen om te leven zoals Jezus dat van ons vraagt. Dat betekent niet dat we foutloos gaan leven. Maar het betekent dat we aan Jezus alle ruimte geven in ons bestaan. Dat we steeds weer tot Hem bidden, dat we Hem vragen om zijn kracht en genade bij alles wat we doen, en dat we zijn liefde voor de mensen proberen zichtbaar te maken.

En als we dan toch weer tekortschieten, als we zondigen, dan is Hij er om ons te vergeven. Daartoe was Hij immers door de Vader gezonden.


Donderdag 26 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd sprak Jezus tot de Joden: Als Ik over Mijzelf getuig, dan heeft mijn getuigenis geen waarde. Er is een ander die over mij getuigt, en Ik weet dat de getuigenis die Hij over Mij aflegt, geloofwaardig is. Gij hebt een gezantschap naar Johannes gestuurd en deze heeft getuigd voor de waarheid. Weliswaar behoef Ik de getuigenis van een mens niet, maar Ik zeg dit opdat gij gered zult worden. Hij was de lamp, ontstoken om te verlichten, en een korte tijd hebt gij u in zijn licht willen verheugen.
De getuigenis echter die Ik bezit, is waardevoller dan die van Johannes, want het zijn juist de werken die de Vader Mij gegeven heeft om te volbrengen en die Ik ook volbreng, die van Mij getuigen, dat Ik door de Vader gezonden ben. Ook de Vader zelf die Mij zond, heeft getuigenis over Mij afgelegd. Zijn stem hebt gij nimmer gehoord noch zijn gestalte gezien, en zijn woord hebt gij niet blijvend in u, omdat gij Degene die Hij zond niet gelooft.
Gij onderzoekt de Schriften in de mening daarin eeuwig leven te vinden, maar juist dezen getuigen over Mij. En toch wilt gij niet tot Mij komen om het leven te vinden. Ik zoek niet door de mensen geëerd te worden, maar Ik weet dat gij in uw hart geen liefde tot God hebt. Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader en toch aanvaardt Gij Mij niet. Komt een ander in zijn eigen naam, dan zult gij hem wel aanvaarden.
Maar hoe zoudt gij ook kunnen geloven als gij van elkaar eer tracht te verwerven, terwijl gij de eer die van de enige God komt, niet zoekt? Meent niet, dat Ik u bij de Vader zal aanklagen. Er is al iemand die u aanklaagt: Mozes, op wie gij uw hoop hebt gesteld. Want als ge Mozes zoudt geloven, zoudt ge ook Mij geloven, want juist over Mij heeft hij geschreven. Als ge niet gelooft wat hij schreef, hoe zoudt ge dan geloven wat Ik spreek?’

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Dit is het soort Evangelie dat typisch is voor Johannes en dus uitermate ingewikkeld. Maar ook uitermate inspirerend. Het is goed om onze tanden erin te zetten.

In zijn toespraak komt het woord ‘getuigenis’ steeds terug. Jezus geneest op een sabbat en noemt God zijn Vader. Daarom verlangen de Joden een getuigenis, een legitimatie: waar haalt Hij het recht vandaan om zo te handelen en te spreken? Maar wat Johannes de Doper over Hem zei, hebben ze niet willen aannemen. Evenmin wat Jezus doet overtuigt hen, ook niet Gods woord dat over Hem spreekt in de Schriften.

Zijn tegenstanders zullen er geen gehoor aan geven en de Heer weet dat. Maar waarom gaat Hij dan toch steeds het gesprek aan met mensen die niet willen luisteren en al klaar staan met hun oordeel? Een oordeel dat al verbonden is met het doodsvonnis.
Eén woord van de Heer verklaart dit: “Ik zeg dit opdat gij gered zult worden”.

Al zijn de harten van zijn tegenstanders nog zo verhard… opdat zij gered worden. Al raakt ons eigen hart nog zo verhard door langdurige twijfel, door teleurstelling, door de bodem ingeslagen hoop… opdat ook wij gered worden, geeft Hij ons zijn woord.

Laten we proberen te geloven wat Hij spreekt. Laten we Christus vertrouwen op zijn woord. Op Pasen heeft God zijn Vader het ultieme getuigenis afgelegd toen Hij zijn Zoon deed opstaan uit de dood. Misschien worden wij met Hem gekruisigd en moeten wij sterven, maar zijn redding is te delen in zijn verrijzenis.


Woensdag 25 maart : Hoogfeest van de Aankondiging van de Heer (Maria Boodschap)

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd werd de engel Gabriel van Godswege gezonden naar een stad in Galilea, Nazaret, tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette, uit het huis van David; de naam van de maagd was Maria. Hij trad bij haar binnen en sprak: ‘Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u!’ Zij schrok van dat woord en vroeg zich af, wat die groet toch wel kon betekenen. Maar de engel zei tot haar: ‘Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.
Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet geven. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.’ Maria echter sprak tot de engel: ‘Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?’ Hierop gaf de engel haar ten antwoord: ‘De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoog­ste zal u overschadu­wen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God. Weet, dat zelfs Elisabet, uw bloedver­wante, in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen en, ofschoon zij onvruchtbaar heette, is zij nu in haar zesde maand; want voor God is niets onmogelijk.’ Nu zei Maria: ‘Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.’ En de engel ging van haar heen.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

De engel Gabriël trad bij Maria binnen en sprak: ‘Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u!’
Zij schrok van dat woord en vroeg zich af, wat die groet toch wel kon betekenen.

Niet zo vreemd dat Maria schrok. Een engel krijg je niet iedere dag op bezoek. En dan komt die engel ook nog eens vertellen dat Maria de moeder van de Zoon van God zal worden. Ga er maar aanstaan. Haar hele leven stond op zijn kop.
Maar Maria wil meewerken met God. Ze zegt ja tegen de engel. Nu zei Maria: ‘Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.’ Ze vertrouwt zich aan God toe. Zolang Hij erbij is, zal het goed komen.

Maria weet nog niets van de vlucht naar Egypte. Ze weet nog niets van de ongerustheid die zij en Jozef zullen hebben, wanneer ze Jezus kwijt zijn na hun pelgrimstocht naar Jeruzalem. Ze heeft nog niet meegemaakt hoe de mensen Jezus niet zullen begrijpen, en hoe Hij meer en meer verdacht gemaakt wordt. En Maria heeft dat afschuwelijke moment nog niet meegemaakt waarop ze als moeder moet toezien hoe haar Zoon wordt mishandeld en sterft aan een kruis.
Maar ze zegt ja. Want ze gaat de weg met God. En Hij begeleidt haar door dat alles heen naar dat moment waarop haar Zoon uit de dood verrijst en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader.

‘Mij geschiede naar uw woord.’ Die woorden, die houding, houdt Maria vandaag ook ons voor. Vertrouw maar op God, ook al weet je niet wat de toekomst brengt. Ook al zul je door pijn en moeite en verdriet gaan. Vertrouw je toe aan God. En Hij zal je brengen tot de verrijzenis en het eeuwig leven.

Op dit hoogfeest van de heilige maagd Maria is het natuurlijk goed en mooi om de rozenkrans te bidden. Overweeg dan de glorievolle geheimen. Het vierde geheim luidt: Maria wordt ten hemel opgenomen; en het vijfde: Maria wordt tot koningin gekroond. Dat geeft hoop. Want Maria is haar levensweg gegaan met de Heer, en zie waar het haar gebracht heeft!

Laten ook wij ons toevertrouwen aan God. Dat is geen garantie voor een gemakkelijk leven zonder verdriet, ziekte en pijn. Dat was het voor Maria ook niet. Maar de verrijzenis van Christus geeft ons de zekerheid dat het uiteindelijk goed afloopt voor wie zich aan Hem vasthoudt. Want we eindigen dan in de liefdevolle armen van de Vader.


Dinsdag 24 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.

Omdat er een feest van de Joden was, ging Jezus, op naar Jeruzalem. Nu is er in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badinrichting, in het Hebreeuws Betesda geheten, met vijf zuilengangen. In die gangen lag altijd een groot aantal gebrekkigen: blinden, lammen en mensen met verschrompelde ledematen (te wachten op het in beweging komen van het water. Van tijd tot tijd daalde namelijk een engel in het bad neer en bracht het water in beroering. Wie dan het eerst na de beweging van het water er inging, werd genezen, wat voor kwaal hij ook had). Nu was daar een man die al achtendertig jaar lang gebrekkig was. Jezus zag hem liggen en omdat Hij wist dat hij reeds lang zo lag, zei Hij tot hem: ‘Wil je gezond worden?’ De zieke gaf Hem ten antwoord: ‘Heer, ik heb niemand om mij, wanneer het water bewogen wordt, in het bad te brengen en terwijl ik ga, daalt een ander voor mij er in af.’ Daarop zei Jezus hem: ‘Sta op, neem je bed op en loop.’ Op slag werd de man gezond. Hij nam zijn bed op en liep. Die dag was het echter sabbat en daarom zeiden de Joden tot de genezene: ‘Het is sabbat, je mag je bed niet dragen.’ Hierop antwoordde hij hun: ‘Die mij gezond heeft gemaakt, Die heeft gezegd: Neem je bed op en loop! Daarom vroegen zij hem: ‘Wie is die man die je zei: Neem je bed op en loop?’ De genezene wist niet wie het was, want Jezus had zich ongemerkt teruggetrokken, omdat er veel volk ter plaatse was. Later trof Jezus hem in de tempel en sprak tot hem: ‘Zie, je bent nu genezen! Zondig niet meer, opdat je niets ergers overkomt.’ De man ging heen en vertelde aan de Joden, dat het Jezus was die hem genezen had. Omdat Jezus dergelijke dingen op sabbat deed, begonnen de Joden Hem te vervolgen.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Het is een wonderlijk Evangelie. De gebrekkige man ligt in een badinrichting waar zieken genezing hopen te vinden. Terwijl hij weet dat het uitzichtloos is. Want hij komt altijd te laat, omdat hij geen hulp heeft en anderen hem voor zijn. Misschien ligt hij daar, omdat er lotgenoten zijn, of omdat op die plaats aalmoezen worden gegeven. We weten het niet. Maar het is duidelijk dat wat hij ook zoekt, hij niet op een wonder rekent.

Het is een wonderlijk Evangelie. De Heer lijkt naar de bekende weg te vragen: “Wil je gezond worden?” Terwijl Hij wist dat de zieke daar al zo lang lag te wachten. Jezus vraagt de zieke waar hij niet op durft hopen. Zijn antwoord is ontwijkend of misschien zelfs een impliciete hulpvraag (‘ik heb niemand die mij helpt… U misschien?’). Maar Jezus’ vraag brengt de zieke terug bij het kernprobleem van zijn bestaan: ik ben ziek en wil gezond worden. Daarom geneest de Heer de man en laat hem opstaan.

Zijn geloofsgenoten wijzen de genezen man op de overtreding van de Wet: hij mag op Sabbat zijn bed niet dragen… Net zo min als Jezus op Sabbat had mogen genezen. Maar de mens is er niet voor de Sabbat, maar de Sabbat is er voor de mens. Jezus is gekomen om de band tussen God en mens te herstellen. Ziekte maakt die band niet stuk, de zonde wel. Dat zijn ergere dingen die de genezene kunnen overkomen. Want los van God sterft de ziel. “Zondig niet meer… ” Voor de Heer is er niets ergers dan van God afgescheiden te zijn. Dat is een veel groter kernprobleem van ons bestaan dan ziekte.

Het is een wonderlijk Evangelie om te lezen in deze tijd nu zoveel mensen moeten vechten voor hun gezondheid. Natuurlijk is het goed om gezond te willen blijven of te worden. Maar wat als ons verlangen naar gezondheid betekent dat wij (om bij het Evangelie te blijven) voordringen en anderen wegduwen om bij het bad te komen zo gauw als de engel het water beweegt? Wat als om gezond te blijven wij desinfecterende zeep wegnemen uit een instelling? Wat als wij als een razende gaan hamsteren, zonder ons te bekommeren om anderen? Stel dat wij zó leven en de crisis overleven, wat voor mensen blijken wij dan te zijn als straks de crisis voorbij is?

“Zondig niet meer opdat je niets ergers overkomt…” Laten wij proberen om verbonden te leven met onze naasten en met onze God. Dat Christus ons zegent en bijstaat om meer en meer mensen van God worden.


Maandag 23 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.

In die tijd verliet Jezus Samaria en ging naar Galilea. Hijzelf had verklaard, dat een profeet in zijn eigen vaderstad niet in aanzien is. Toen Hij nu in Galilea kwam, ontvingen de Galileeers Hem welwillend, omdat zij alles hadden gezien, wat Hij te Jeruzalem op het feest had gedaan. Zij waren immers zelf ook op het feest geweest. Zo kwam Hij dan wederom te Kana in Galilea, waar Hij van het water wijn had gemaakt. Daar bevond zich een koninklijke beambte, wiens zoon te Kafarnaum ziek lag. Toen hij hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en verzocht Hem, dat Hij mee zou komen om zijn zoon te genezen, want deze lag op sterven. ‘Als gij geen wondertekenen ziet,’ zei Jezus tot hem, ‘dan gelooft gij niet.’ Daarop zei die hofbe­ambte: ‘Heer, kom toch eer mijn kind sterft!’ Jezus antwoordde: ‘Ga maar, uw zoon leeft.’ De man geloofde wat Jezus hem zei en ging heen.
Zijn dienaars kwamen hem onderweg reeds tegemoet met de boodschap dat zijn kind leefde. Hij vroeg hun naar het uur waarop de beter­schap was ingetreden, en zij zeiden hem: ‘Gisteren op het zevende uur is de koorts van hem geweken.’ Toen besefte de vader, dat het gebeurd was juist op het uur waarop Jezus gezegd had: ‘Uw zoon leeft.’ Hij zelf en heel zijn gezin geloofden. Dit tweede teken deed Jezus nadat Hij uit Judea naar Galilea gekomen was.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Een mooie toezegging die God doet bij monde van de profeet Jesaja. Hij spreekt over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde die Hij zal scheppen en zegt: ‘Daar zal geen kind meer zijn, dat na weinige dagen sterft, en er zal geen grijsaard meer zijn, die zijn dagen niet vol zal maken.’ Als je sterft op je honderdste zal dat relatief jong zijn, daar, in die nieuwe schepping.

We horen momenteel veel over leeftijd en sterven. In deze tijd van het coronavirus denken mensen bij zichzelf: gelukkig, ik hoor niet bij de risicogroep. Of ze denken juist: laat ik maar heel voorzichtig zijn op mijn leeftijd, want ik hoor bij de kwetsbare ouderen.

In het Evangelie horen we over een ziek kind dat door Jezus genezen wordt. Het is de jongen en zijn ouders van harte gegund. Maar misschien denken we ook bij onszelf: en wij dan? Hebben wij niet allemaal behoefte aan gezondheid? Waar is Jezus eigenlijk met zijn genezende kracht in deze moeilijke tijd?

Ja, wat zou het mooi zijn, als Jezus ons allemaal van COVID-19 geneest. Of als Hij ons er tegen beschermt, zodat we niet eens ziek worden. Maar dat doet Jezus niet. En eigenlijk weten we dat ook wel. Het leven dat Jezus brengt, is het leven met God. Hij opent voor ons de deur naar de barmhartige Vader, die ons nooit laat vallen, die ons bemint, en die ons tot over de grens van de dood vasthoudt.

Jezus verbindt ons met God. Want Hij is God zelf. Hij is de hand die God uitstrekt naar alle mensen. Als wij die uitgestoken hand van God vastpakken, als wij ons aan Jezus vasthouden, in Hem geloven, dan voert Hij ons door het aardse leven naar het eeuwig leven. Hij leidt ons niet om alle problemen heen. Maar Hij leidt ons er doorheen, via de weg van zijn liefde.

Dat jongetje dat Jezus genezen heeft, is waarschijnlijk volwassen geworden en is zeker eens gestorven. Misschien is hij wel weer ziek geworden. Maar hij en zijn ouders hebben mogen ervaren dat Jezus niet door ziekte gestopt kan worden. Gods liefde wordt niet begrensd door ziekte, zonde of dood. Gods liefde overwint dat alles. We hebben dat mogen zien in de verrijzenis van Christus. En in dat geloof, in die zekerheid, mogen wij ons aan de Heer toevertrouwen.


Zondag 22 maart

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze.

Eens waart gij duisternis, nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer. Leeft dan ook als kinderen van het licht, en de vrucht van het licht kan alleen maar zijn: goedheid, gerechtigheid, waarheid. Tracht te ontdekken wat de Heer behaagt. Neemt geen deel aan hun duistere en onvruchtbare praktijken, brengt ze liever aan het licht. Wat deze lieden in het geheim doen is te schandelijk om ook maar over te spreken. Alles echter wat aan het licht wordt gebracht, komt in het licht tot helderheid. En alles wat verhelderd wordt, is zelf ‘licht’ geworden. Zo zegt ook de hymne: «Ontwaak, slaper, sta op uit de dood, en Christus’ licht zal over u stralen.’«

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Paulus spreekt tot de Efesiërs als mensen die van het duister in het licht zijn gekomen, vanuit het heidendom tot de gemeenschap met de Heer, in zijn Kerk. Bij het duister hoort gedrag dat te schandelijk is om over te praten, dat uiteindelijk op niets uitloopt en onvruchtbaar is. De heimelijkheid ervan heeft met de leugen van doen. Hoe anders is het bij het licht dat goedheid, gerechtigheid en waarheid voortbrengt. Door het doopsel in Christus zijn de Efesiërs kinderen van het licht geworden, net zoals wij. Ons leven moet dus de Heer welgevallig zijn, doordat het de vruchten van het licht voortbrengt.

In deze tijd kunnen we met de uitersten van beide leefstijlen geconfronteerd worden. Enerzijds zijn er mensen die opeens gaan vechten om een laatste blikje conserven of die uit de crisis een slaatje proberen te slaan. Anderzijds zijn er mensen die met gevaar voor eigen leven (en dat van hun geliefden) zorg blijven geven aan besmette zieken, of die bereid zijn anderen te helpen met boodschappen doen of contact te zoeken met geïsoleerde ouderen, blijkens initiatieven zoals #Nietalleen en vele andere.

Waar zullen wij bij horen wanneer onze daden aan het licht worden gebracht, als Christus ons in zijn licht plaatst? God geve dat dan uit de vruchten die wij hebben voortgebracht, mag blijken dat wij kinderen van het licht zijn. Maar hoogstwaarschijnlijk zullen de meesten van ons ergens tussen beide extremen in schommelen, een mengeling zijn van licht en donker.

Wat is het een zegen dat Christus zijn leven heeft gegeven voor zondaars om hen te redden. Voor zondaars, dus ook voor ons. Dat betekent niet dat wij met onze armen rustig over elkaar moeten afwachten. Integendeel, de Heer schenkt ons zijn genade. Genade die ons in staat stelt om nieuwe mensen te kunnen worden, om te leven als die kinderen van het licht waarover Paulus spreekt. Christus schenkt ons die genade met Pasen.
Ook al moeten we Pasen dit jaar op een andere en trieste wijze vieren dan ooit tevoren, het duister van de dood heeft niet het laatste woord. Dat heeft God. Laten we proberen daaruit hoop te putten! Moge ons leven ook, of misschien: juist in deze tijd de vruchten van het Licht van Pasen voortbrengen: goedheid, gerechtigheid en waarheid.

Moge Christus, de lijdende Dienstknecht des Heren die de dood heeft overwonnen, ons allen bewaren!


Zaterdag 21 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.

In die tijd vertelde Jezus, met het oog op sommigen, die overtuigd van eigen gerechtigheid, de anderen minachtten, de volgende gelijkenis.
‘Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de een was een Farizeeër en de andere een tollenaar. De Farizeeër stond met opgeheven hoofd en bad bij zichzelf als volgt: God, ik dank u dat ik niet zo ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar daar. Ik vast tweemaal per week en geef tienden van al mijn inkomsten. Maar de tollenaar bleef op een afstand en wilde zelfs niet zijn ogen opheffen naar de hemel; maar hij klopte zich op de borst, en zei: God wees mij, zondaar, genadig. Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere, want alwie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden.’

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Bij de supermarkt waar ik boodschappen doe, staat nu een installatie voor de deur om je handen te wassen. Je laat wat zeep in je handen lopen, je wast je handen goed met de zeep, en dan beweeg je een hand voor een elektronisch oog waardoor de kraan gaat lopen en je je handen verder kunt wassen en afspoelen. Met een stuk papier dat je lostrekt droog je je handen af en met schone handen ga je de winkel in. Prachtig initiatief van de winkelier.

Je handen wassen en hygiëne zijn enorm belangrijk deze dagen. In de psalm van vandaag lezen we: ‘Was mijn schuld volkomen van mij af, reinig mij van al mijn zonden.’ Ook hier wassen en reinigen. Maar hier gaat het om onze vraag aan God dat Hij ons reinigt van onze schuld. De psalmist beseft dat hij tegenover God geen aanspraak kan maken op zuiverheid van hart. Hij schiet tekort in heiligheid.

Ook de tollenaar in de gelijkenis van Jezus is zich bewust van zijn gebrek aan heiligheid. De Farizeeër niet. Die vindt zichzelf een heilige. Die meent dat hij alles goed doet in Gods ogen. Maar de tollenaar beseft dat hij in Gods ogen een zondaar is en dat hij Gods vergeving nodig heeft. Hij leeft niet zoals God dat van hem vraagt, en daar heeft hij spijt van.

Je handen wassen en een goede lichamelijke hygiëne zijn van groot belang. Let daar goed op. Maar let ook op de reinheid van je ziel. Eigenlijk zouden we daar niet minder zorg voor moeten hebben, niet alleen in deze veertigdagentijd, maar heel ons leven door.
Beminnen wij God boven alles? Hebben wij onze naasten lief, onze naasten die zijn zoals wij zelf? Proberen wij Jezus te dienen in de minste van zijn broeders en zusters?

Als we eerlijk in ons hart kijken, als we onder ogen durven zien hoe we echt zijn en leven, dan zullen we waarschijnlijk zien dat ook wij niet die grote heiligheid hebben waartoe God ons roept. Net als de tollenaar. En dan zullen ook wij beseffen dat we Gods vergeving nodig hebben.
Als je dat eerlijk onder ogen ziet, zeg dan oprecht tot de Heer: ‘God wees mij, zondaar, genadig.’ En Jezus zegt dan ook over jou: ‘Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere, want alwie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden.’


Vrijdag 20 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.

In die tijd trad een schriftgeleerde op Jezus toe en legde Hem de volgende vraag voor : ‘Wat is het allereerste gebod?’ Jezus antwoordde: ‘Het eerste is: Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer. Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee.’ Toen zei de schriftgeleerde tot Hem: ‘Juist, Meester, terecht hebt Ge gezegd: Hij is de enige en er bestaat geen andere buiten Hem; en Hem beminnen met heel zijn hart, heel zijn verstand en heel zijn kracht en de naaste beminnen als zichzelf gaat boven alle brand- en slachtoffers.’ Omdat Jezus zag dat hij wijs gesproken had, zei Hij hem: ‘Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods.’ En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Hier wordt gesproken over de geboden van de Wet. De Heer vat heel die Wet samen in het dubbelgebod van de liefde. Maar het gebod door Mozes gegeven begint met de woorden “Hoor, Israël”. Voordat de Wet gegeven wordt, klinkt de oproep om te luisteren. De geboden worden niet door de strot geduwd, het volk wordt uitgenodigd om de oren en het hart te openen. Zo geeft God zijn Woord, Hij treedt als het ware in gesprek met zijn volk.

Deze uitnodiging geldt ook voor ons. God richt zich niet in de verleden tijd tot zijn volk, zoveel duizend jaar her, wij geloven dat Hij zich in de tegenwoordige tijd tot ons richt, dus altijd actueel. Daarom eindigt iedere schriftlezing in de Kerk altijd met “Zo spreekt de Heer” of “Woord van de Heer”.

En het Woord dat Hij tot ons spreekt, herkennen wij in Jezus Christus, het levende Woord. God komt ons ook nu tegemoet met zijn Woord dat spreekt van liefde, zorg en betrokkenheid. Een God die – zoals we met Pasen gedenken – met ons mee lijdt en mee de grafkuil ingaat. Met de belofte dat Hij ons deel zal geven aan het Koninkrijk Gods.

Het lied van A. den Besten (GvL 509) benoemt dit met een biddende reactie: “Gij, woord dat antwoord vraagt, o Heer, geef dat wij U herkennen mogen”. Mogen wij een goed antwoord weten te geven in deze tijd.

O Christus, woord der eeuwigheid,
dat naar ons uitging in de tijd
en daad werd, mens van hoofd tot voeten,
wij danken U, God die Gij zijt,
dat Gij ons mens’lijk wilt ontmoeten.

Hoe hadden wij U ooit verstaan,
waart Gij niet tot ons uitgegaan,
o levenswoord van den beginne?
Spreek, woord van vlees en bloed, ons aan,
o Christus, treed ons leven binnen.

Gij werd een mens, maar zonder eer,
die in de wereld geen verweer,
niets heerlijks had voor mensenogen.
Gij, woord dat antwoord vraagt, o Heer,
geef dat wij U herkennen mogen.


Donderdag 19 maart – hoogfeest van de heilige Jozef, Bruidegom van de maagd Maria

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Jakob was de vader van Jozef, de man van Maria, en uit haar werd geboren Jezus die Christus genoemd wordt.
De geboorte van Jezus Christus vond plaats op deze wijze. Toen zijn moeder Maria ver­loofd was met Jozef, bleek zij, voor­dat ze gingen samenwo­nen, zwanger van de heilige Geest. Omdat Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij er over in stilte van haar te scheiden.
Ter­wijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer die tot hem sprak: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de heilige Geest. Zij zal een zoon ter wereld brengen die gij Jezus moet noemen, want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden.’
Ontwaakt uit de slaap deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had.

‘Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen….’ Ontwaakt uit de slaap deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had.

Jozef deed zoals de Heer hem bevolen had. Hij gehoorzaamde aan de oproep van God. God vroeg hem zorg te dragen voor Maria, en zorg te dragen voor het Kind dat Maria zou baren. En Jozef nam die zorg op zich, omdat God het hem vroeg.

Zo maakte Jozef Gods zorg voor Maria en Jezus tastbaar. God zoekt mensen die zijn liefde concreet voelbaar maken.

Ik heb horen zeggen dat misschien God het virus gezonden heeft om mensen tot bezinning te brengen. Maar God stuurt geen ziektes. Wij, christenen, geloven dat God zich ten volle heeft laten kennen in Jezus Christus. En Jezus zou nooit mensen ziek maken. Iedereen die het Evangelie leest, zal dit kunnen bevestigen. Dus God maakt mensen niet ziek.

Maar tijdens een epidemie zoals nu door het coronavirus laat God wel van zich horen. In de mensen die zorg nodig hebben, doet God namelijk een oproep aan ons allemaal: ‘Zorg voor hen.’ Dat is het wat God ons nu zegt. ‘Zorg voor hen en maak mijn liefde voelbaar en concreet. Zoals Jozef dat gedaan heeft voor Maria en het Kindje Jezus.’

De heilige Jozef wordt wel afgebeeld met een kerk in zijn handen. Dat geeft aan dat zijn aandacht en liefde alle kinderen van God betreft. Laten wij Jozef volgen en Gods liefde tastbaar maken voor onze naasten. En moge Jozef voor ons een voorspraak zijn.

Heilige Jozef,
tot vader gegeven aan de Zoon van God,
bid voor ons in onze zorgen
voor de familie, de gezondheid en het werk
tot op onze laatste dagen,
en gewaardig u ons bij te staan
in het uur van de dood. Amen.


Woensdag 18 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen : Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling te brengen. Want voorwaar, ik zeg u: Eerder nog zullen hemel en aarde vergaan, dan dat een jota of haaltje vergaat uit de Wet, voordat alles geschied is. Wie dus een van die voorschriften, zelfs het geringste, opheft en zo de mensen leert, zal de geringste geacht worden in het Rijk der hemelen, maar wie ze onderhoudt en leert zal groot geacht worden in het Rijk der hemelen.

Op dit moment worden aan ons wetten en geboden voorgeschreven. Dat roept soms weerstand op. We kunnen niet langer zelf uitmaken wat we doen en laten. Terwijl onze vrijheid toch het hoogste goed is en die wordt juist ingeperkt.

Zo een inperking lijkt de Joodse Wet te zijn met haar 613 wetten en geboden. In het Evangelie zegt de Heer dat Hij deze niet afschaft, Hij is gekomen om de vervulling te brengen. Toch onderhouden wij, christenen, het meeste van de Joodse Wet niet. Is dat niet in tegenspraak met Jezus’ woorden?

Het antwoord daarop ligt precies in de vervulling waar de Heer van spreekt. Hij onderhoudt de Wet, maar brengt haar tegelijkertijd op een dieper en hoger niveau.

De Wet is goed, zeker de vele reinheidsvoorschriften (die veel doen denken aan de huidige aanbevelingen) zoals het regelmatig de handen wassen. Maar als die voorschriften strikt op zich worden nagevolgd, dan kan er iets misgaan.

Stel je voor dat we onze onderlinge afstand met een liniaal zouden afmeten: 1 à 2 meter, dan volgen we braaf het voorschrift op. Maar de onderliggende vraag is natuurlijk: waarom doen we dat? Oftewel: wat is de zin van wetten en geboden van de Staat, maar evenzeer die van ons geloof of de Wet van God?

De Wet moet allereerst te maken hebben met relatie. Wij zijn geroepen om te leven met elkaar en met God. Indachtig het gebod dat Jezus het allerbelangrijkst noemt: God te beminnen en de naaste die is als uzelf.

Als we daaruit leven, dan spreekt uit het navolgen van wetten en geboden geen slaafsheid of dwang, maar zorg en liefde. Dan maakt de inperking van mijn vrijheid juist ruimte voor mijn naaste.

Daar invulling aan te geven zal voor ons een uitdaging zijn.


Dinsdag 17 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs.

In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak: ‘Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?’
Jezus antwoordde hem: ‘Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal.
Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning die rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren. Toen hij hiermee begon, bracht men iemand bij hem die tiendui­zend talenten schuldig was. Daar hij niets had om te betalen gaf de heer het bevel hem te verkopen met vrouw en kinderen en al wat hij bezat om zo de schuld te vereffenen. De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De heer kreeg medelij­den met die dienaar, liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt.
Maar toen die dienaar buiten kwam, trof hij daar een andere dienaar die hem honderd denariën schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent. De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij en ik zal u betalen. Maar hij weigerde en liet hem zelfs in de gevangenis zetten, totdat hij zijn schuld zou hebben betaald.
Toen nu de overige dienaren zagen wat er gebeurd was, waren zij diep verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen. Daarop liet de heer hem roepen en sprak: Jij lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtge­scholden, omdat je mij erom gesmeekt hebt. Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad? En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben.
Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen, die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.’

Jezus wijst in de gelijkenis van vandaag op een belangrijke regel: behandel je medemens zoals je zelf behandeld wilt worden. De dienaar die zijn koning tienduizend talenten schuldig was (een ongelofelijk hoog bedrag), smeekte om kwijtschelding. En hij kreeg het. Hij wist dus hoe waardevol het is vergeven te worden. Maar toen hij een andere dienaar tegenkwam die op zijn beurt hem honderd denariën (een laag bedrag) schuldig was, schold hij hem het bedrag niet kwijt. Terwijl hij zelf ervaren had hoe belangrijk vergeving was.

Als wij met mensen omgaan, moeten we empathisch zijn, invoelend. We moeten proberen ons in de ander in te leven. Mensen zijn vaak heel verschillend. Maar in heel veel opzichten lijken we ook op elkaar. Hoe de buurman of buurvrouw, die alleen woont, het ervaart om elke dag op zichzelf door te brengen, weten we niet precies. Maar een beetje kunnen we het wel vermoeden. Denk het je maar eens in: steeds alleen op te staan, je dagelijkse routines te verrichten, alleen te eten, niet met iemand te kunnen delen wat je ziet op televisie of wat je leest op het internet.
Natuurlijk, de een heeft meer behoefte aan gezelschap dan de ander. Maar iedereen waardeert wat aandacht of een kleine attentie.

Leef je in in de ander. Heb oog voor elkaar. In deze tijd waarin de samenleving steeds verder tot stilstand komt, krijgen velen van ons meer tijd. Het zou goed zijn als we die tijd ook gebruiken voor de naaste.

Wat Jezus zegt over vergeving (vergeef zoals je zelf vergeven wilt worden) geldt ook voor andere aspecten van de menselijke omgang. Doorbreek eens de eenzaamheid van je medemens, zoals je dat zelf ook graag zou willen. Informeer naar elkaars gezondheid. Sta klaar om eens een boodschapje te doen, niet alleen voor eenzame mensen, maar ook voor dat oudere stel dat beter niet buiten de deur komt en waarvan de kinderen ver weg wonen. Of voor die verpleger die het nu extra druk heeft. Dat zou je immers zelf toch ook heel fijn vinden?